ECLI:NL:RBZWB:2026:4276

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
C/02/448149 / KG ZA 26-247 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis wegens dreigende noodtoestand

De bewindvoerder van een onder bewind gestelde huurder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis dat de huurovereenkomst beëindigt en ontruiming van de woning beveelt. De kantonrechter had op 29 april 2026 de ontruiming bevolen en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De voorzieningenrechter overweegt dat de ontruiming zonder schorsing zou leiden tot een noodtoestand voor de huurder, die sinds november 2025 onder behandeling staat bij de GGZ en een tweede kans heeft gekregen. Deze omstandigheden waren niet bekend bij de kantonrechter en rechtvaardigen afwijking van het eerdere vonnis.

De rechtbank schorst daarom de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis voor drie maanden, zodat de bewindvoerder kan zoeken naar alternatieve woonruimte. De dwangsom wordt gemaximeerd op €50.000 en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst voor drie maanden wegens dreigende noodtoestand.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/448149 / KG ZA 26-247
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] , H.O.D.N. “ [bewindvoerderskantoor] ”, IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN DE HEER [gedaagde],
te [plaats] ,
eisende partij,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. F. Ergec,
tegen
STICHTING STADLANDER,
te Bergen op Zoom,
gedaagde partij,
verder te noemen: Stadlander,
advocaat: mr. J.N.A. Kilian.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding,
- de producties 1 t/m 9 van de bewindvoerder,
- de vrijwillige verschijning van Stadlander,
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van mr. Ergec en mr. Kilian.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] staat sinds 13 februari 2024 onder bewind. [bewindvoerder] is benoemd tot bewindvoerder van [gedaagde] .
2.2.
[gedaagde] woont in een woning van Stadlander, aan het [adres] (hierna: de woning).
2.3.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over het eindigen van de huurovereenkomst, waarvoor Stadlander bij dagvaarding van 19 juni 2025 een procedure is gestart. In deze procedure met zaaknummer 11766653 \ CV EXPL 25-2185 heeft op 1 april 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is namens de bewindvoerder enkel mr. Ergec verschenen.
2.4.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 april 2026 voor recht verklaard dat de huurovereenkomst is geëindigd en de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen tien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5.
Stadlander heeft het vonnis laten betekenen. De ontruiming is aangezegd per 19 mei 2026.
2.6.
[bewindvoerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 april 2026.

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert – kort gezegd – schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 april 2026 gedurende de duur van de hoger beroepsprocedure dan wel gedurende drie maanden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, met veroordeling van Stadlander in de proceskosten.
3.2.
Stadlander voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van de bewindvoerder.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
4.2.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in haar oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissingen berusten op een kennelijke misslag.
4.3.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eisende partij, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.4.
De voorzieningenrechter leest in het vonnis van 29 april 2026 dat de kantonrechter voor wat het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis een afweging heeft gemaakt tussen de belangen van [gedaagde] bij behoud van de woning enerzijds en de belangen van Stadlander bij ontruiming van de woning anderzijds. In zoverre heeft de kantonrechter zijn beslissing dus gemotiveerd. Het is daarom aan de bewindvoerder om feiten en omstandigheden aan zijn vorderingen ten grondslag te leggen die door de kantonrechter niet in aanmerking zijn genomen voor het nemen van de beslissing.
4.5.
De bewindvoerder heeft onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] na het starten van de procedure van Stadlander een tweede kans heeft gekregen tot april 2026 en sinds 25 november 2025 onder behandeling bij GGZ Westelijk Noord-Brabant staat. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 elkaar over en weer verweten deze tweede kans en de behandeling niet onder de aandacht van de kantonrechter te hebben gebracht.
4.6.
De voorzieningenrechter constateert dat uit het vonnis van 29 april 2026 niet volgt dat de kantonrechter met deze zogenoemde tweede kans van Stadlander of met de behandeling bij GGZ rekening heeft gehouden in zijn beslissing. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de kantonrechter niet bekend was met deze informatie. Dit leidt tot de volgende beslissing.
4.7.
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het had op de weg van een van beide partijen gelegen om de kantonrechter over de tweede kans en dat [gedaagde] weer onder behandeling stond te informeren. Dat is blijkbaar niet gebeurd. Dat is hen beiden aan te rekenen. Enerzijds doordat de bewindvoerder niet tijdens die mondelinge behandeling is verschenen (enkel mr. Ergec was als gemachtigde aanwezig), anderzijds had Stadlander die informatie kunnen verschaffen nu zij hiermee bekend was.
4.8.
Doordat [gedaagde] een tweede kans heeft gekregen en weer onder behandeling staat, is het vanzelfsprekend dat de bewindvoerder niet (actief) naar alternatieve woonruimte voor [gedaagde] heeft gezocht, ondanks dat de bewindvoerder bekend was met de beëindiging van de huurovereenkomst. Dat maakt dat bij [gedaagde] een noodtoestand zou ontstaan als op 19 mei 2026 de ontruiming zou doorgaan. Dit rechtvaardigt dat van de beslissing van 29 april 2026 wordt afgeweken, in die zin dat de voorzieningenrechter de bewindvoerder een termijn zal gunnen om (al dan niet in samenspraak met ketenpartners) naar alternatieve woonruimte te zoeken voor [gedaagde] . De voorzieningenrechter zal daarom de tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 april 2026 schorsen voor de duur van drie maanden. Voor een schorsing voor de duur van het hoger beroep ziet de voorzieningenrechter gelet op wat is overwogen onder 4.1 en 4.4 geen aanleiding.
4.9.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. Nu deze niet is gemaximaliseerd, zal de voorzieningenrechter deze maximaliseren tot € 50.000,-.
4.10.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 29 april 2026 met zaaknummer 11766653 \ CV EXPL 25-2185 tot 18 augustus 2026,
5.2.
veroordeelt Stadlander om aan de bewindvoerder een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat zij zich niet aan de schorsing onder 5.1 houdt, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.