Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4285

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/1318
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag leges voor uitbreiding torenkraan ongegrond verklaard

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen een aanslag leges van € 14.714,35 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg voor het uitbreiden van een torenkraan. De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 behandeld.

De rechtbank oordeelt dat het beroepschrift tijdig is ingediend, omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op 14 januari 2025 aan belanghebbende is verzonden. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de uitspraak pas op 30 januari 2025 heeft ontvangen, waardoor het beroep op 5 maart 2025 tijdig is ingediend.

Inhoudelijk is niet in geschil dat de legesverordening en tarieventabel van de gemeente Tilburg de grondslag vormen voor de aanslag. Belanghebbende betoogt dat de leges niet in verhouding staan tot de kosten die zij heeft gemaakt en verzoekt om kwijtschelding of tegemoetkoming. De rechtbank overweegt dat geen rechtstreeks verband vereist is tussen leges en kosten en dat de belastingrechter slechts kan ingrijpen bij strijd met hogere regelgeving of onredelijkheid.

De enkele stelling van belanghebbende over hoge eigen kosten en het belang van de vergunning voor de economie is onvoldoende om de aanslag als willekeurig of onredelijk aan te merken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag leges wordt ontvankelijk verklaard maar ongegrond verklaard wegens rechtmatige vaststelling van de leges.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1318

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 januari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 12 november 2024 een aanslag leges aan belanghebbende opgelegd voor het uitbreiden van een torenkraan van € 14.714,35.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag leges ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon 1] en namens de heffingsambtenaar [persoon 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt allereerst of belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Als dat het geval is, beoordeelt de rechtbank vervolgens of de heffingsambtenaar de aanslag leges niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat hoewel het beroepschrift tijdig is ingediend, de aanslag leges niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt, en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Tijdig ingediend beroepschrift
4. De rechtbank stelt voorop dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een fatale termijn van openbare orde is, die door de rechtbank ambtshalve moet worden beoordeeld. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken [1] (de beroepstermijn), en begint op de dag na bekendmaking van het besluit, in dit geval de uitspraak op bezwaar. [2] Bekendmaking gebeurt door toezending of uitreiking van de uitspraak aan belanghebbende. [3] Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de beroepstermijn is ontvangen. [4] Bij een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [5]
4.1.
De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 14 januari 2025. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak ook op die datum aan belanghebbende is verzonden. Rekenend vanaf die datum is het door belanghebbende ingediende beroepschrift (met de post ontvangen op 5 maart 2025) acht dagen na de hiervoor genoemde termijn van zes weken ingediend. Belanghebbende betwist echter dat zij de uitspraak op bezwaar op de door de heffingsambtenaar bedoelde datum heeft ontvangen. Zij stelt daartoe dat zij voor het eerst van de uitspraak op bezwaar kennisnam op 30 januari 2025. Dat was het moment waarop de heffingsambtenaar naar aanleiding van telefonisch contact, op verzoek, de uitspraak op bezwaar per email naar haar toestuurde.
4.2.
De rechtbank overweegt dat bij betwisting van de genoemde ontvangstdatum van de uitspraak op bezwaar, het aan de heffingsambtenaar is om de verzending van de uitspraak op bezwaar aannemelijk te maken. [6] De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gesteld dat hij de uitspraak op bezwaar intern in het postvak heeft gelegd om te worden aangeboden ter verzending via PostNL. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat hij zijn stelling niet met nadere stukken kan onderbouwen.
4.3.
Met hetgeen de heffingsambtenaar over de verzending heeft gesteld, acht de rechtbank de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast geslaagd aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar op 14 januari 2025 is verzonden. De enkele stelling dat in de regel de uitspraak op bezwaar na plaatsing daarvan in het interne postvak wordt verzonden, is daarvoor onvoldoende.
4.4.
Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank aannemelijk acht dat de uitspraak op bezwaar, zoals belanghebbende stelt, op 30 januari 2025 aan haar bekend is gemaakt, en dat de beroepstermijn dus ook pas toen is aangevangen. Het beroepschrift dat bij de rechtbank is ontvangen op 5 maart 2025, acht de rechtbank daarom tijdig ingediend. Het beroep is dus ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank hierna de zaak inhoudelijk kan behandelen.
Leges
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en de heffingsambtenaar de aanvraag voor die omgevingsvergunning in behandeling heeft genomen. Op grond van de Legesverordening 2023 van de gemeente Tilburg, en de daarbij behorende tarieventabel (de Tarieventabel) is daarom sprake van een belastbaar feit en de heffingsambtenaar was dus bevoegd om aan belanghebbende leges in rekening te brengen. De leges die vervolgens in rekening zijn gebracht, zijn conform de Tarieventabel vastgesteld, hetgeen belanghebbende ook niet heeft betwist.
4.6.
Belanghebbende voert aan dat de in rekening gebrachte leges (€ 14.714,35) niet in verhouding staan tot de kosten die zij heeft moeten maken. Zij heeft voor de vergunningsaanvraag namelijk aanzienlijke kosten moeten maken, in totaal circa € 20.000. Gezien die hoge kosten en het feit dat de vergunning(aanvraag) mede in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en de economie van de gemeente is, verzoekt belanghebbende de heffingsambtenaar om een (gedeeltelijke) kwijtschelding of tegemoetkoming in de legeskosten.
4.7.
De heffingsambtenaar voert aan dat hij geen reden ziet om de leges te verminderen. In dat kader wijst hij er op dat het college verschillende werkzaamheden voor de vergunningaanvraag heeft verricht, waaronder het verkrijgen van een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad.
4.8.
De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt in haar beoordeling het volgende voorop. Allereerst is geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de geheven leges en de omvang van de door heffingsambtenaar verstrekte dienst of in rekening gebrachte kosten. Ook is geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de leges en de door belanghebbende gemaakte kosten. Gemeenten kunnen op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de Gemeentewet gegeven nadere regelingen, zelf invulling geven aan de in de verordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. De belastingrechter is daarom in beginsel niet bevoegd om over het in de legesverordening vastgelegde tarief te oordelen, tenzij deze tariefstelling in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel.
4.9.
Het ligt op de weg van belanghebbende om feiten te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat van een dergelijke schending sprake is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat belanghebbende de in rekening gebrachte leges hoog vindt, is de enkele stelling dat belanghebbende zelf ook hoge kosten heeft moeten maken voor de vergunningaanvraag en haar werkzaamheden voor werkgelegenheid zorgen en in het belang van de economie van (de inwoners van) de gemeente zijn, onvoldoende om te concluderen dat sprake zou zijn van een willekeurige of onredelijke belastingheffing. Daar staat namelijk tegenover dat het college zich heeft ingespannen om een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad te verkrijgen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank ziet in het betoog van belanghebbende geen aanleiding om de aanslag leges te verminderen. Het beroep is daarom ongegrond.
5.1.
Belanghebbende krijgt daardoor het griffierecht niet terug en zij heeft ook geen recht op een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:8 van Pro de Awb.
3.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:9, eerste lid van de Awb.
5.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2.