Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat op 12 mei 2023 werd vastgesteld dat haar bromfiets niet verzekerd was. Betrokkene voerde aan dat zij op 29 april 2023 handmatig schorsingskosten had betaald vanwege problemen met DigiD en in de veronderstelling verkeerde dat de bromfiets was geschorst. Na een mededeling van het RDW dat dit niet het geval was, betaalde zij opnieuw de schorsingskosten. Ter zitting toonde zij aan dat het voertuig niet kon worden gebruikt.
De officier van justitie stelde dat het voertuig op de peildatum niet verzekerd was en dat de kentekenhouder verantwoordelijk is voor het verzekeren of schorsen van het voertuig. Wel werd erkend dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor matiging van de boete werd voorgesteld.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en de boete terecht is opgelegd, maar matigde de boete vanwege de verwarrende situatie en het feit dat het voertuig niet kon worden gebruikt. Daarnaast werd de boete met 25% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie werd opgedragen een te veel betaalde zekerheidstelling terug te betalen.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter W.H.C. van Eck op 7 april 2026. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De boete wegens het niet verzekeren van de bromfiets is gematigd tot €75,- plus administratiekosten en de te veel betaalde zekerheidstelling wordt terugbetaald.