Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat zijn bromfiets op 19 juni 2023 niet verzekerd was, wat werd vastgesteld door het RDW. Betrokkene voerde aan dat de scooter op dat moment geschorst was en overhandigde een document ter onderbouwing, maar kon niet aannemelijk maken dat er niet met het voertuig werd gereden.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 7 april 2026 was betrokkene niet aanwezig. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en de boete terecht is opgelegd.
Echter, de kantonrechter constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd de officier van justitie opgedragen een teveel betaalde zekerheidstelling van €105,- terug te betalen aan betrokkene.
De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en de boete vastgesteld op €315,- plus €9 administratiekosten. Betrokkene werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De boete wegens het niet verzekeren van de bromfiets wordt bevestigd maar met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.