Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A58 te Ulvenhout op 11 januari 2024. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, maar dit beroep werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
Betrokkene voerde aan dat de beroepstermijn in de vakantieperiode viel, maar de kantonrechter oordeelde dat dit geen verschoonbare reden is. Volgens artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geldt een beroepstermijn van zes weken, die in dit geval op 15 maart 2024 eindigde. Het beroepschrift werd echter pas op 17 maart 2024 ontvangen, wat te laat is.
De kantonrechter benadrukte dat bij vakantie langer dan de beroepstermijn een zaakwaarnemer moet worden aangewezen om tijdig beroep in te dienen. Omdat betrokkene dit niet aannemelijk maakte, werd het beroep ongegrond verklaard. Hierdoor kon de kantonrechter niet inhoudelijk op de boete ingaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bij de officier van justitie wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare omstandigheden.