Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad op een locatie in Breda op 23 juni 2023. Betrokkene stelde dat hij niet op het fietspad, maar op een eenrichtingsweg reed die was aangeduid met een C03-bord. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde op basis van de foto’s in het dossier dat de gedraging wel degelijk had plaatsgevonden. De bebording was duidelijk en een weggebruiker moet deze waarnemen en opvolgen. Er was geen aanleiding om de boete inhoudelijk te matigen.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, omdat de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar duurde. Op grond hiervan matigde de kantonrechter de boete met 25%. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terug te betalen.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter W.H.C. van Eck op 7 april 2026. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.