Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4319

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
25/4918
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5.18 OmgevingswetArt. 5.21 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebreken bij omgevingsvergunning optoppen appartementen

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg voor het optoppen met twee bouwlagen en het verbouwen van appartementen aan een adres in Tilburg. Eisers, bewoners uit de omgeving, hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning vanwege onder meer overschrijding van bouwhoogte en aantasting van privacy en zoninval.

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan, met name vanwege de overschrijding van de toegestane bouw- en goothoogte en het realiseren van gestapelde woningen waar grondgebonden woningen zijn toegestaan. Het college heeft binnenplanse afwijkingen toegepast en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) vergunning verleend, maar heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de overschrijding van bouwhoogte aanvaardbaar is, mede gelet op de cultuurhistorische waarden van het perceel.

Verder oordeelt de rechtbank dat het college terecht heeft geoordeeld dat de privacy van eisers niet onevenredig wordt beperkt, maar dat de stelling dat de vermindering van zoninval niet onaanvaardbaar is onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank constateert motiveringsgebreken en stelt het college in de gelegenheid deze te herstellen binnen een gestelde termijn. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank constateert motiveringsgebreken in de omgevingsvergunning en geeft het college de gelegenheid deze te herstellen binnen een gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4918

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1],
[eiser 2],
[eiser 3]en
[eiser 4], allen uit [plaats] eisers,
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder]uit Tilburg (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het optoppen met twee bouwlagen en verbouwen van appartementen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend.
1.1.
In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van motiveringsgebreken in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het optoppen met twee bouwlagen en verbouwen van appartementen. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het college, onder aanvulling van de motivering, bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] en [eiser 2] namens eisers, mr. B. van den Broek namens het college en vergunninghoudster.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 22 augustus 2024 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het optoppen met twee bouwlagen en het verbouwen van appartementen aan de [adres 1] . De aanvraag heeft betrekking op de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet.
3.1.
Op 15 november 2024 heeft de Omgevingscommissie een positief advies uitgebracht over het bouwplan, onder voorwaarden.
3.2.
Met een besluit van 22 januari 2025 (primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In de motivering van het besluit staat dat het bouwplan op vier onderdelen in strijd is met regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, maar dat het plan voldoet aan de criteria zoals gesteld in de diverse binnenplanse afwijkingsmogelijkheden, zodat medewerking kan worden verleend aan het bouwplan.
3.3.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.4.
Op 1 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie).
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. In heroverweging heeft het college besloten alsnog een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: bopa) te verlenen.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel aan de [adres 1] waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Binnenstad 2010” en “Binnenstad 10e herziening” van kracht. Die bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg.
4.1.
Volgens het bestemmingsplan “Binnenstad 2010” geldt op het perceel de bestemming ‘Centrum-Binnenstad’. Op grond van artikel 5.1.1, aanhef en onder k van de planregels zijn deze gronden (onder andere) bestemd voor ‘wonen’. Op het perceel geldt ook de ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’.
4.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze tussenuitspraak.
Beroepsgronden
5. Eisers stellen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de aangrenzende gronden en bouwwerken, zodat binnenplans en/of buitenplans afwijken niet mogelijk is.
5.1.
Eisers stellen dat het bouwplan ook in strijd is met artikel 15.3.2, lid b, onder 2 van het bestemmingsplan “Binnenstad 2010”, omdat de voorziene goothoogte van 12,3 meter aanzienlijk hoger is dan de op grond van dit artikel toegestane goothoogte van 10% hoger dan de huidige goothoogte van 8,05 meter.
5.2.
Eisers stellen dat sprake is van een overschrijding van de bouwhoogte die niet door het college is beoordeeld bij de buitenplanse afwijking. De beoordeling is daarom naar het oordeel van eisers onvolledig geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft het college mogen afwijken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de volgende artikelen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan:
  • artikel 5.1.1 onder k van “Binnenstad 2010”, gelezen in samenhang met artikel 3.1 van “Binnenstad 2010 10e herziening” (gestapeld wonen);
  • artikel 15.3.2 lid b van “Binnenstad 2010” (bestaande kapvorm, aantal bouwlagen en bouwhoogte);
  • artikel 5.2.2 lid f van “Binnenstad 2010” (maximale bouwhoogte);
  • artikel 17.4.1 van “Binnenstad 2010” (buitenruimte).
Gestapeld wonen
7. Op grond van artikel 5.1.1 lid k van “Binnenstad 2010”, gelezen in samenhang met artikel 3.1 van “Binnenstad 2010 10e herziening” is het perceel enkel bestemd voor grondgebonden woningen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet voldoet aan deze bepaling, omdat het appartementen – ofwel gestapelde woningen – beoogt te realiseren.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hiervan op grond van artikel 5.6.9 van “Binnenstad 2010 10e herziening” binnenplans kan worden afgeweken. Dit artikel bepaalt dat binnenplans kan worden afgeweken voor gestapelde woningen waarvan de gebruikersoppervlakte van de woning meer dan 50 m2 bedraagt. Aan die eis wordt volgens het college voldaan. Dit wordt door eisers niet betwist.
8. De rechtbank constateert dat uit het bouwplan blijkt dat het beoogde gebruikersoppervlak van de appartementen groter is dan 50 m2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom van artikel 5.1.1 onder k van “Binnenstad 2010”, in samenhang gelezen met artikel 3.1 van “Binnenstad 2010 10e herziening”, kunnen afwijken met toepassing van artikel 5.6.9 van “Binnenstad 2010 10e herziening”.
Bestaande kapvorm, aantal bouwlagen en bouwhoogte
9. Op grond van artikel 15.3.2 lid b onder 1 en 2 van “Binnenstad 2010” mogen uitsluitend gebouwen worden opgericht met inachtneming van de bestaande kapvorm, het aantal bouwlagen en de bouw- en goothoogte, zoals is aan te merken op basis van de laatst verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en voor zover die vergunning betrekking heeft daarop.
9.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan de maximale bouwhoogte overschrijdt. Tussen partijen is ook niet meer in geschil dat het college geen mogelijkheden heeft om binnenplans af te wijken van hetgeen is bepaald in artikel 15.3.2 lid b onder 1 en 2 van “Binnenstad 2010”, omdat op het perceel onder andere de bestemming “Waarde – cultuurhistorie” rust. Tussen partijen is wel in geschil of het college op dit punt een omgevingsvergunning voor een bopa heeft kunnen verlenen.
Omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa)
10. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een bopa alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
10.1.
Het begrip ‘evenwichtige toedeling’ is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.2.
Eisers menen dat het college niet buitenplans heeft kunnen afwijken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, omdat de realisatie van het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van hun recht op privacy en de mate van zoninval op hun percelen.
10.3.
Om invulling te geven aan de beleidsruimte heeft het college de “Beleidsregels planologische kruimelgevallen 2024” (hierna: de beleidsregels) opgesteld. In deze beleidsregels is het voorheen geldende beleid ten aanzien van planologische kruimelgevallen van toepassing verklaard onder de Omgevingswet. Deze afwijkingsmogelijkheden stonden in artikel 4 van Pro bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bouwplan valt volgens het college onder deel II van het beleid, omdat volgens het college geen sprake is van een dakopbouw, maar van het optoppen van woningen. Gelet daarop moet volgens het stroomschema in de beleidsregels maatwerk worden verricht, aldus het college.
11. In het Bor is geen nadere beschrijving opgenomen van wat onder een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw moet worden verstaan. Uit vaste rechtspraak over de toepassing van het Bor volgt dat het bij een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding als bedoeld in artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor ook kan gaan om de uitbreiding van een woning met een extra woonlaag. [2] Het bouwplan beoogt twee nieuwe bouwlagen te realiseren met daarin appartementen. Volgens de rechtbank kan in dat geval niet meer worden gesproken van een uitbreiding van een bestaande woning, waardoor het bouwplan niet voldoet aan artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor. Het college heeft het bouwplan daarom terecht getoetst aan deel II van de beleidsregels en maatwerk verricht.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom de overschrijding van de bouw- en goothoogte in dit geval aanvaardbaar is. Ter motivering van het bestreden besluit heeft het college de beoogde bouw- en goothoogte getoetst aan artikel 5.2.2, lid f van “Binnenstad 2010”, op grond waarvan de maximale bouwhoogte in het algemeen 15 meter bedraagt. Op het perceel van vergunninghoudster rust echter de dubbelbestemming “Waarde – cultuurhistorie” en geldt de ‘specifieke bouwaanduiding-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’. Uit artikel 15.3.2 van “Binnenstad 2010” volgt dat de goot- en bouwhoogte van een te realiseren bouwplan daarom maximaal 10% mag afwijken van de rand- en/of bouwhoogte zoals is aan te merken op basis van de laatst verleende omgevingsvergunning. Met het bouwplan wordt een goothoogte van 12,33 meter en een bouwhoogte van 15,56 meter beoogd. De rechtbank constateert dat de bestaande bouw- en goothoogte daarmee met meer dan 10% worden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende blijk gegeven de dubbelbestemming en specifieke bouwaanduiding van het perceel te hebben betrokken bij de motivering van het bestreden besluit. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het alle belangen heeft betrokken bij de besluitvorming. Die stelling is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd en concreet. In dat licht heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd dat in het onderhavige geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Buitenruimte
12. Op grond van artikel 17.4.1 van “Binnenstad 2010” moet bij een woning een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van ten minste vijf meter. Het bouwplan voorziet niet in dergelijke buitenruimten. Op grond van artikel 17.4.3 lid b van “Binnenstad 2010” kan hiervan binnenplans worden afgeweken, op voorwaarde dat een gunstige andere indeling van het bouwperceel aanwezig is en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
12.1.
Eisers stellen dat het college deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid niet heeft kunnen gebruiken. Eisers menen dat de vermindering van privacy en zoninval leidt tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende woningen.
12.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat binnenplans afwijken wel mogelijk is. Het bouwplan voorziet in een dakterras dat wordt omsloten met een balustrade. Het college merkt daarbij op dat het dakterras terugliggend wordt uitgevoerd, waardoor een eventuele inbreuk op de privacy van aangrenzende panden voldoende kan worden voorkomen en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
12.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de privacy van eisers door de binnenplanse afwijking niet onevenredig wordt beperkt. Het perceel van vergunninghoudster is gelegen in een dichtbebouwd stedelijk gebied ligt. Hoewel de balustrade van het teruggelegen dakterras niet iedere vorm van inkijk wegneemt, wordt daarmee wel tot op zekere hoogte tegemoetgekomen aan de belangen van eisers. In een stedelijke omgeving met woningen rondom moet enige vermindering van privacy voor lief worden genomen. [3]
12.4.
Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van een onevenredige vermindering van zoninval op hun percelen, is dat standpunt volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft volstaan met de stelling dat de vermindering van bezonning op de percelen van eisers niet zodanig groot en onevenredig is, dat om die reden de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Het college heeft echter nagelaten deze stelling te onderbouwen met een bezonningsstudie. De rechtbank is van oordeel dat het college gelet daarop niet heeft kunnen aannemen dat de binnenplanse afwijking voor het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van de bezonning van de percelen van eisers met zich meebrengt. Het bestreden besluit berust daarom ook op dit punt niet op een draagkrachtige motivering.

Bestuurlijke lus

13. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op twee onderdelen in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank het college in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak.
13.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met de intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13.2.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na datum van verzending van deze uitspraak, mededelen aan de rechtbank of het gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghoudster in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van het college.
13.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eisers en vergunninghoudster in de gelegenheid om binnen vier weken op die herstelpoging van het college te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier op 19 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. (…)
Artikel 5.18
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
Artikel 5.21
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
b. de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bestemmingsplan “Binnenstad 2010” (tijdelijk deel van het omgevingsplan)

Artikel 1 Begrippen Pro

In deze regels wordt verstaan onder:
(…)
1.33
bouwhoogte
Onder ´bouwhoogte´ wordt verstaan:
a. De hoogte van gebouwen, met uitzondering van lift- en trappenhuizen, lichtkappen en ondergeschikte delen van gebouwen zoals schoorstenen, masten en delen van ventilatie-installaties, gemeten uit het hoogste punt boven het (straat-)peil.
(…)

Artikel 5 [adres 2]

5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Functies
De voor ´Centrum-Binnenstad´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
k. wonen (grondgebonden woningen en gestapelde woningen);
(…)
5.2
Bouwregels
(…)
5.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
(…)
f. de maximale bouwhoogte bedraagt 15 m, tenzij een andere bouwhoogte is weergeven;
(…)

Artikel 15 Waarde Pro - Cultuurhistorie

15.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn, naast de andere aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de cultuurhistorische waarden.
(…)
15.3
Bouwregels
(…)
15.3.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
(…)
b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing'geldt dat:
1. uitsluitend gebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de bestaande:
o voorgevelrooilijn;
o pandbreedte;
o kapvorm;
o dakhelling;
o nokrichting van de kap;
o hoogte van de begane grondse bouwlaag;
o aantal bouwlagen,
zoals is aan te merken op basis van de laatst verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en voorzover die vergunning betrekking heeft op bovenstaande opsomming. Bij het ontbreken van deze omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geldt de bestaande situatie ten tijde van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan;
2. de goothoogte en de bouwhoogte van de op te richten bebouwing maximaal 10% mag afwijken van de rand- en/of bouwhoogte zoals is aan te merken op basis van de laatst verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en voorzover die vergunning betrekking heeft op de rand- en/of bouwhoogte. Bij het ontbreken van deze omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geldt de bestaande situatie ten tijde van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan;
(…)
15.5
Afwijken van de bouwregels
15.5.1
Binnenplans afwijken
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 22.1 omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van:
(…)
c. het bepaalde in 15.3.2 onder b sub 1 en sub 2 voor wat betreft de goothoogte, bouwhoogte, kapvorm, pandbreedte, nokrichting, dakhelling, hoogte van de begane grondse bouwlaag en het aantal bouwlagen;
(…)
15.5.2
Voorwaarden
a. Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien:
1. de monumentencommissie is gehoord;
2. de cultuurhistorische waarden van het object en zijn directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke en functionele karakteristiek van het beschermd stadsgezicht;
4. de maximale hoogte binnen de basisbestemming niet wordt overschreden.
(…)

Hoofdstuk 3 Algemene regels

(…)

Artikel 17 Algemene Pro bouwregels

(…)
17.4
Onbebouwd terrein bij gebouwen
17.4.1
Onbebouwd terrein bij woningen
Bij een woning moet - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van - gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5 m.
(…)
17.4.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van:
(…)
b. het bepaalde in 17.4.1, indien een gunstige andere indeling van het bouwperceel aanwezig is en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
(…)

Artikel 20 Algemene Pro afwijkingsregels

20.1
Binnenplans afwijken t.b.v. geringe afwijkingen van maten
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de in het plan genoemde maten en afmetingen met ten hoogste 10%. Deze omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:
a. de met behulp van die toepassing toegestane bebouwing geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden;
b. gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan;
c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
d. voldaan is aan de volgende voorwaarden:
de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet cumulatief worden gebruikt;
de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet tot gevolg hebben dat een nieuwe bouwlaag ontstaat.
Bestemmingsplan “Binnenstad 2010 10e herziening” (tijdelijk deel van het omgevingsplan)

Artikel 3 Bestemmingsplan Pro Binnenstad 2010

De regels van het bestemmingsplan Binnenstad 2010 worden gelezen overeenkomstig de onderstaande leden.
3.1
Artikel 5 Centrum Pro - Binnenstad
De regels van artikel 5 Centrum Pro - Binnenstad van het bestemmingsplan 'Binnenstad 2010' worden als volgt gelezen:
a. In sublid 5.1.1 ‘Functies’ wordt onderdeel k. vervangen als volgt:
k. wonen, met dien verstande dat sprake is van grondgebonden woningen
(…)
c. Aan lid 5.6 ‘Afwijken van de specifieke gebruiksregels’ wordt een nieuw sublid 5.6.9 toegevoegd:
5.6.9 '
Binnenplans afwijken t.b.v. gestapelde woningen groter dan 50m² gebruiksoppervlakte (GBO)'
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde onder sublid 5.1.1 onderdeel k. ten behoeve van gestapelde woningen met dien verstande dat de gebruiksoppervlakte van de woning groter dan 50m² GBO bedraagt.
Beleidsregels planologische kruimelgevallen 2024

Deel II

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning met kleine buitenplanse omgevingsplan voor de onderdelen van artikel 4 van Pro bijlage II Bor die niet in deel I van deze beleidsregels genoemd zijn, gelden de volgende regels:
Per geval moet al of niet verlenen van de omgevingsvergunning gemotiveerd worden;
De gemeente kan o.a. eisen dat:
a. er een planschadeovereenkomst is gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente;
b. de initiatiefnemer onderbouwt dat het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
c. de initiatiefnemer verslag doet van de wijze waarop hij de Omgevingsdialoog heeft uitgevoerd.
Toelichting
Voor de overige gevallen die vallen onder de onderdelen van artikel 4 van Pro Bijlage II van het Bor dient per beslissing op aanvraag een motivering te worden opgesteld. Omdat er met deze regeling meegewerkt kan worden aan grote functiewijzigingen of grote uitbreidingen van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, wordt in deze beleidsregels aangegeven dat de gemeente kan eisen dat de aanvrager een planschadeovereenkomst sluit, een motivering aanlevert ten aanzien van de veronderstelling dat het initiatief voldoet aan eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en/of dat de aanvrager overleg voert met de omwonenden en andere belanghebbenden bij de zaak, zulks in het kader van de zorgvuldig te voeren Omgevingsdialoog.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1770 (r.o. 9.1).
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1271, r.o. 6.2.