Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4336

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1565
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de ontvangstbevestiging van zijn verzoek tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes weken beslist op dit bezwaar. Eiser stelde de Dienst Toeslagen vervolgens in gebreke en startte beroep bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 14 november 2025 weliswaar geen besluit is, maar dat het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift wel ontvankelijk is. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ontvankelijk en kennelijk gegrond.

De rechtbank draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000. Het verzoek van eiser om een eerder ingediend stuk in te brengen wordt afgewezen omdat dit buiten de reikwijdte van het geding valt. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar te nemen, met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser,
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 22 december 2025 tegen de brief van verweerder van 14 november 2025 inhoudende een ontvangstbevestiging van eisers verzoek tot aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat tegen de brief van 14 november 2025 geen bezwaar of beroep openstaat, [2] omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb. [3] De brief is namelijk niet gericht op rechtsgevolg en beoogt niet meer dan het doen van een informatieve mededeling. Verweerder verzoekt de rechtbank dan ook om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
3.1. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Het beroep richt zich tegen het niet op tijd beslissen op een bezwaarschrift. Uit het stelsel van de Awb vloeit voort dat altijd op een bezwaarschrift besloten moet worden. Het beslissen op een bezwaarschrift in de zin van de wet door een bestuursorgaan is als zodanig gericht op rechtsgevolg. Dit geldt ook, indien de beslissing waartegen bezwaar is gemaakt zelf niet op enig rechtsgevolg is gericht. Verweerder moet dan ook op het bezwaarschrift beslissen. De rechtbank overweegt verder dat een eventuele niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift niet van belang is voor het bepalen van de ontvankelijkheid van het beroep. [4] Tegen het niet op tijd nemen van een besluit staat beroep open [5] en zoals de rechtbank reeds heeft overwogen is een beslissing op bezwaar altijd een besluit. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
3.2.
Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 22 december 2025. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [6] Verweerder had dus uiterlijk op 6 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 10 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Wordt verweerder opgedragen het stuk in te brengen dat eiser om een herbeoordeling zou hebben gevraagd van voor 14 november 2025?
6. In zijn reactie van 5 mei 2026 op het verweerschrift, verzoekt eiser de rechtbank om het bestuursorgaan op te dragen het stuk in te brengen dat eiser om een herbeoordeling zou hebben gevraagd van voor 14 november 2025. De rechtbank stelt vast dat het in deze beroepszaak gaat om het niet op tijd beslissen op een bezwaarschrift van eiser. Het verzoek van eiser heeft geen betrekking op het niet op tijd beslissen op het bezwaarschrift en valt dan ook buiten de omvang van dit geding. Verweerder wordt dan ook niet opgedragen het stuk in te brengen dat eiser om een herbeoordeling zou hebben gevraagd van voor 14 november 2025.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 19 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Gelet op artikel 7:1 en Pro 8:1 van de Awb.
3.Artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 januari 1995,
5.Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met 8:1 van de Awb.
6.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.