ECLI:NL:RBZWB:2026:4355

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/8522
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub b van de Successiewet 1956Art. 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub c van de Successiewet 1956Art. 81 van het Burgerlijk Wetboek Boek 1Art. 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verhoogde kindvrijstelling bij erfbelasting wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting en belastingrente opgelegd aan [persoon 1] na het overlijden van haar moeder. De kern van het geschil betrof de toepassing van de verhoogde kindvrijstelling, die geldt indien het kind voor meer dan vijftig procent door de overledene werd onderhouden en een beperking heeft.

De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarde van de beperking werd voldaan, maar dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de moeder meer dan de helft van het levensonderhoud van [persoon 1] betaalde. Bankafschriften toonden schenkingen aan, maar deze waren niet toereikend om de verhoogde vrijstelling te rechtvaardigen. Bovendien nam het banksaldo van [persoon 1] jaarlijks af, wat suggereert dat zij zelf in haar onderhoud voorzag.

Belanghebbende voerde aan dat de moeder ook in natura bijdroeg en dat hijzelf beperkte middelen had door de toeslagenaffaire, maar deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd. De inspecteur had de aanslag en belastingrente correct vastgesteld binnen de wettelijke termijnen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en belastingrente, en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen.

Uitkomst: Het beroep op de verhoogde kindvrijstelling wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat de moeder meer dan vijftig procent bijdroeg aan het levensonderhoud.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8522

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

de erfgenaam van [persoon 1] , uit [woonplaats] (Frankrijk), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan [persoon 1] een aanslag erfbelasting (de aanslag) opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht
(de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag (gedeeltelijk) gegrond verklaard en daarbij de aanslag gehandhaafd en de in rekening gebrachte belastingrente verminderd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [belanghebbende] , bijgestaan door [partner] en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking, zoals die luiden na de uitspraak op bezwaar, niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Daarbij beoordeelt de rechtbank in het bijzonder of belanghebbende recht heeft op de toepassing van de verhoogde kindvrijstelling [1] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de toepassing van de verhoogde kindvrijstelling en dat de aanslag en de belastingrentebeschikking niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Mevrouw [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) beschikte op 1 januari van de jaren 2017 tot en met 2021 over de volgende banksaldi:
Banksaldo
2017
€ 58.039
2018
€ 48.880
2019
€ 37.147
2020
€ 23.325
2021
€ 112.411
3.1.
Uit de bankafschriften volgt dat [persoon 1] in 2017 en 2018 bedragen van respectievelijk € 5.320 (op 8 december 2017) en € 5.363 (op 6 december 2018) van haar moeder heeft ontvangen met als beschrijving ‘schenking’. Ook volgt uit de bankafschriften dat [persoon 1] gedurende 2017 – naast het op 8 december 2017 ontvangen bedrag – meerdere bedragen van haar moeder heeft ontvangen van in totaal € 2.515,68.
3.2.
Belanghebbende en [persoon 1] zijn gehuwd op [datum 1] 2019 zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. [persoon 1] had in Nederland een woning in eigendom. Deze woning is in 2020 met overwaarde verkocht. [persoon 1] stond vanaf 1 februari 2020 ingeschreven op hetzelfde adres als belanghebbende.
3.3.
De moeder van [persoon 1] is overleden op [datum 2] 2021. De moeder was ten tijde van haar overlijden weduwe.
3.4.
Naar aanleiding van het overlijden van de moeder is op 24 september 2021 aangifte erfbelasting gedaan. Daarin is vermeld dat de nalatenschap € 171.704 bedroeg en dat [persoon 1] gerechtigd is tot de helft van de nalatenschap (€ 85.852). In de aangifte wordt een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling.
3.5.
Op 4 oktober 2023 heeft de inspecteur aan de belastingadviseur van [persoon 1] een
e-mailbericht gestuurd. In dat e-mailbericht staat – voor zover relevant – het volgende:
“Ik heb de aangifte erfbelasting inzake het overlijden van mevrouw [persoon 2] in behandeling, overleden [datum 2] 2021.
In de aangifte wordt voor [persoon 1] een beroep gedaan op de vrijstelling voor kinderen met een beperking. Aan deze vrijstelling zijn een aantal voorwaarden verbonden. Eén van deze voorwaarden is dat [persoon 1] voor meer dan de helft financieel moet zijn onderhouden door de erflater. Ik vermoed dat dit hier niet het geval is. (…)”
3.6.
De belastingadviseur heeft de inspecteur bij e-mailberichten van 5 oktober 2023 bericht dat de dochter ziek is, zonder kans op genezing. Verder heeft de belastingadviseur gemeld:
“Zij had daardoor geen inkomen. Moeder betaalde alle hulp en eten voor de dochter. (…)”
“Ter aanvulling:
Zij betaalde haar woonlasten zelf van spaargeld en van de jaarlijkse belastingvrije schenking ontvangen van moeder. Zij had geen recht op een uitkering omdat zij 20 jaar in het buitenland woonachtig was en daarna geprobeerd heeft inkomen uit ZZP te verwerven, wat niet gelukt is.”
3.7.
Op 9 oktober 2023 heeft de belastingadviseur aan de inspecteur een e-mailbericht gestuurd waarin staat vermeld dat de jaarlijkse vaste kosten voor het levensonderhoud van [persoon 1] in totaal € 5.932 waren. Verder heeft [persoon 1] volgens de belastingadviseur onder meer verklaard dat zij elke dag drie maaltijden bij haar moeder nuttigde, maar dat zij van die kosten geen bewijs heeft, omdat zij niet over de bankafschriften van haar moeder beschikt.
3.8.
De inspecteur heeft de aanslag erfbelasting met dagtekening 23 november 2023 in afwijking van de aangifte opgelegd. Daarbij heeft hij de belaste verkrijging voor de erfbelasting vastgesteld op € 64.570 (een verkrijging van € 85.852 verminderd met de algemene kindvrijstelling voor de erfbelasting van € 21.282 [2] ). Over de belaste verkrijging heeft de inspecteur € 6.457 erfbelasting geheven (10 procent erfbelasting over de belaste verkrijging). Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 634.
3.9.
[persoon 1] heeft bezwaar ingediend tegen de aanslag en belastingrentebeschikking. Zij is op [datum 3] 2023 overleden. De bezwaarprocedure is voortgezet door belanghebbende.
3.10.
Belanghebbende heeft tijdens het hoorgesprek onder meer verklaard dat [persoon 1] in de periode tussen 2017 - 2019 werd onderhouden door haar moeder en dat zij ook bij haar moeder at. Moeder betaalde voedsel tot haar overlijden in 2021. [persoon 1] regelde na de opname van moeder in een verzorgingstehuis per medio 2019 dat dit deel van de onderhoudskosten direct via de bankrekening van haar moeder werden betaald. [persoon 1] werd vanaf het moment van samenwonen voor de helft onderhouden door haar moeder en voor de andere helft door hemzelf. De kosten voor het gezamenlijk levensonderhoud waren ongeveer € 7.000 tot € 8.000 zonder de hypotheeklasten van ongeveer € 6.000 per jaar. De hypotheeklasten bleven geheel ten laste van belanghebbende. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij vanwege de toeslagenaffaire vanaf 2016 tot 2022 onder het bijstandsniveau leefde, ondanks zijn hoge inkomen. Belanghebbende en [persoon 1] moesten met 50-60 euro per week leven en hij kon hierdoor andere schulden niet betalen. Aldus de verklaring van belanghebbende tijdens het hoorgesprek.
3.11.
Belanghebbende heeft in reactie op het verslag van het hoorgesprek de inspecteur bij e-mail van 16 mei 2024 – onder meer – het volgende bericht:
“Lijkt me niet relevant of het onderbouwd is dat ik [persoon 1] voor de ander 50% heb onderhouden in de
periode die u vernoemd. Als [persoon 1] bv 800 nodig voor haar hypotheek of zorgverzekering werd de de
helft door moeder betaald en andere helft kwam van de prive rekening want we waren getrouwd.
3.12.
De inspecteur heeft het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de verhoogde kindvrijstelling niet van toepassing is. Wel heeft de inspecteur de in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot € 417.

Motivering

Vooraf: hoorverslag
4. Belanghebbende heeft gesteld dat het hoorverslag onjuistheden bevat. De rechtbank overweegt dat – voor zover het hoorverslag onjuistheden bevat die aan de inspecteur zijn toe te rekenen – belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. De rechtbank acht een eventuele onzorgvuldigheid aan de zijde van de inspecteur niet zodanig dat daaraan consequenties moeten worden verbonden.
Toepassing van de verhoogde kindvrijstelling
5. De vrijstelling voor kinderen met een beperking (de verhoogde kindvrijstelling) [3] bedraagt voor het jaar 2021 € 63.836. Voor toepassing van de verhoogde kindvrijstelling moet aan twee cumulatieve voorwaarden zijn voldaan: (i) het kind werd grotendeels (wat naar fiscaal gebruik betekent: 50 procent of meer) op kosten van de overledene onderhouden, en (ii) het kind is ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren niet in staat om met arbeid die voor zijn kracht is berekend, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde mensen van gelijke leeftijd aan inkomen kunnen verwerven.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de tweede voorwaarde is voldaan. Uitsluitend verschillen zij van mening of [persoon 1] grotendeels op kosten van haar moeder werd onderhouden (voorwaarde i).
5.2.
Belanghebbende stelt dat de schenkingen die [persoon 1] van haar moeder heeft ontvangen, waren bedoeld en moeten worden aangemerkt als bijdragen in het levensonderhoud. Verder voert belanghebbende aan dat de werkelijke door de moeder betaalde onderhoudsuitgaven van [persoon 1] hoger waren. Bewijs daarvan ontbreekt, omdat belanghebbende niet kan beschikken over de financiële gegevens van [persoon 1] en haar moeder. Volgens belanghebbende heeft [persoon 1] de banksaldi niet gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien. Het geld werd gebruikt voor de aankoop van een auto en [persoon 1] heeft een broer geholpen met de aankoop van een huis. Ook heeft belanghebbende gesteld dat hij als gevolg van de toeslagenaffaire niet in het levensonderhoud van [persoon 1] kon voorzien.
5.3.
De inspecteur betwist dat [persoon 1] grotendeels op kosten van haar moeder werd onderhouden. Daartoe voert de inspecteur (onder meer) aan dat het vermogen van [persoon 1] jaarlijks met een fors bedrag is afgenomen, waaruit volgt dat zij voor die bedragen zelf in haar onderhoud voorzag. Daarnaast was belanghebbende gehuwd met [persoon 1] , waardoor op hem de wettelijke verplichting [4] rustte om in het levensonderhoud van [persoon 1] te voorzien.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarde voor de toepassing van de verhoogde vrijstelling is voldaan. De rechtbank begrijpt dat sprake is van bewijsnood indien belanghebbende niet beschikt over de bankgegevens van [persoon 1] en haar moeder, maar dit laat onverlet dat de bewijslast op belanghebbende rust.
5.5.
De rechtbank constateert dat [persoon 1] in 2017 en 2018 bedragen van haar moeder heeft ontvangen onder de omschrijving ‘schenking’ van respectievelijk € 5.320 en € 7.878,68 (zie 3.1). Daarnaast heeft zij in 2017 in totaal een bedrag van € 2.515,68 van haar moeder ontvangen. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de werkelijke bijdragen in het levensonderhoud door de moeder (al dan niet in natura) in deze jaren en de jaren erna hoger waren, niet onderbouwd en daardoor niet aannemelijk gemaakt. Gelet op de hoogte van de bedragen waarvan belanghebbende wel aannemelijk heeft gemaakt dat deze door [persoon 1] van de moeder zijn ontvangen (in totaal € 7.835,68 in 2017 en € 7.878,68 in 2018), heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de moeder van [persoon 1] voor meer dan vijftig procent in de kosten van het levensonderhoud van [persoon 1] heeft voorzien. Om die reden kan in het midden blijven of de schenkingen moeten worden aangemerkt als bijdragen in het levensonderhoud. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking, dat tussen 2017 en 2020 het banksaldo van [persoon 1] jaarlijks met ruim € 10.000 is afgenomen. De rechtbank acht aannemelijk dat [persoon 1] de banksaldi heeft gebruikt om zelf in haar onderhoud te voorzien. De stelling van belanghebbende ter zitting, dat dit geld werd gebruikt voor de aankoop van een auto en dat [persoon 1] een broer heeft geholpen met de aankoop van een huis, maakt dit niet anders, aangezien belanghebbende deze stellingen niet nader heeft onderbouwd. Ook de stelling van belanghebbende dat hij zelf niet of beperkt in het levensonderhoud van [persoon 1] kon voorzien, leidt niet tot de conclusie dat de moeder dus meer dan vijftig procent moet hebben bijgedragen aan het levensonderhoud, aangezien een onderbouwing van de bijdragen van de moeder ontbreekt.
5.6.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon 1] grotendeels op kosten van haar moeder werd onderhouden, zodat de verhoogde kindvrijstelling niet van toepassing is. De inspecteur heeft daarom terecht de algemene vrijstelling voor kinderen toegepast van € 21.282. [5] Dit betekent dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Belastingrente
5.7.
Belanghebbende stelt dat de belastingrentebeschikking moet worden verminderd tot nihil omdat de inspecteur ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte erfbelasting. Daarnaast heeft de inspecteur ten onrechte belastingrente in rekening gebracht vanwege de lange behandelduur met betrekking tot het opleggen van de aanslag erfbelasting, aldus belanghebbende.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur terecht afgeweken van de aangifte erfbelasting. Dit betekent dat terecht belastingrente in rekening is gebracht. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de inspecteur een wettelijke termijn heeft van drie jaar voor het opleggen van de aanslag. [6] Daar heeft de inspecteur zich in dit geval aan gehouden. De aanslag is dus tijdig opgelegd. Dat belanghebbende de behandelduur als lang heeft ervaren, betekent niet dat daardoor geen of minder belastingrente is verschuldigd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de belastingrente, zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar, te verminderen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag erfbelasting en de belastingrentebeschikking in stand blijven.
6.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub b van de Successiewet 1956 (SW 1956) (2021).
2.Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub c van de SW 1956 (2021).
3.Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub b van de SW 1956 (2021).
4.Artikel 81 van Pro het Burgerlijk Wetboek Boek 1.
5.Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder 4 sub c van de SW 1956 (2021).
6.Artikel 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.