ECLI:NL:RBZWB:2026:4355
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verhoogde kindvrijstelling bij erfbelasting wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting en belastingrente opgelegd aan [persoon 1] na het overlijden van haar moeder. De kern van het geschil betrof de toepassing van de verhoogde kindvrijstelling, die geldt indien het kind voor meer dan vijftig procent door de overledene werd onderhouden en een beperking heeft.
De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarde van de beperking werd voldaan, maar dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de moeder meer dan de helft van het levensonderhoud van [persoon 1] betaalde. Bankafschriften toonden schenkingen aan, maar deze waren niet toereikend om de verhoogde vrijstelling te rechtvaardigen. Bovendien nam het banksaldo van [persoon 1] jaarlijks af, wat suggereert dat zij zelf in haar onderhoud voorzag.
Belanghebbende voerde aan dat de moeder ook in natura bijdroeg en dat hijzelf beperkte middelen had door de toeslagenaffaire, maar deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd. De inspecteur had de aanslag en belastingrente correct vastgesteld binnen de wettelijke termijnen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en belastingrente, en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen.
Uitkomst: Het beroep op de verhoogde kindvrijstelling wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat de moeder meer dan vijftig procent bijdroeg aan het levensonderhoud.