ECLI:NL:RBZWB:2026:4358

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/1687
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2019 en 2020

Belanghebbende, woonachtig in Italië, ontving in 2019 en 2020 een Ziektewet-uitkering van het UWV en deed aangifte IB/PVV waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning nihil werd opgegeven. De inspecteur legde primitieve aanslagen conform deze aangiften op, maar stelde later navorderingsaanslagen vast wegens een kenbare fout in de aangiften.

De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd omdat sprake is van een kenbare fout die ten minste 30% afwijkt van de wettelijk verschuldigde belasting. De inspecteur heeft de aanslagen geautomatiseerd opgelegd zonder handmatige beoordeling, waardoor de fout niet bewust is geaccepteerd. Het verbod van reformatio in peius is niet geschonden omdat het primaire besluit niet ten nadele van belanghebbende is gewijzigd.

Belanghebbende stelde dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen, maar de rechtbank volgt de inspecteur en de parlementaire geschiedenis dat navordering een zelfstandige grond is. De belastingrentebeschikkingen zijn eveneens terecht vastgesteld. De beroepen worden ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen blijven in stand.

Uitkomst: De navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen over 2019 en 2020 zijn terecht vastgesteld en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1687 en 25/1689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Italië), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2019 en 2020 de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en belastingrentebeschikkingen vastgesteld:
Jaar
Zaaknummer
Belastbaar inkomen uit werk en woning
Belastingrente
2019
25/1687
€ 33.644
€ 292
2020
25/1689
€ 5.526
€ 32
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende bij (afzonderlijke) uitspraken op bezwaar van 6 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de inspecteur de bezwaren in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering en deze verzoeken afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de
niet-ontvankelijkverklaringen op 18 november 2024 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaken teruggewezen naar de inspecteur. [1]
1.4.
De inspecteur heeft op 6 februari 2025 (hernieuwde) uitspraken op bezwaar gedaan naar aanleiding van de terugwijzing van de rechtbank. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar van 6 februari 2025 beroepen ingesteld.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft zich bij brief van 19 februari 2026 afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende woonde in de jaren 2019 en 2020 in Italië.
3.1.
Belanghebbende ontving in de onderhavige jaren een Ziektewet-uitkering
(ZW-uitkering) van het UWV.
3.2.
Op 31 maart 2020 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
UWV (ZW-uitkering)
€ 33.644
€ 7.756 (LH)
Elders belast
- € 33.644
Belastbaar inkomen werk en woning
nihil
3.3.
De inspecteur heeft – nadat de aangifte was geselecteerd voor een handmatige controle – de primitieve aanslag IB/PVV 2019 met dagtekening 16 april 2022 geautomatiseerd conform de aangifte aan belanghebbende opgelegd.
3.4.
Op 30 april 2021 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan. De inspecteur heeft de primitieve aanslag IB/PVV 2020 met dagtekening 26 april 2022 geautomatiseerd conform de aangifte opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
UWV (ZW-uitkering)
€ 5.526
Elders belast
- € 5.526
Belastbaar inkomen werk en woning
nihil
3.5.
Op 12 augustus 2022 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen de primitieve aanslag IB/PVV 2020. In het bezwaarschrift staat – voor zover relevant – het volgende:
“Gelet op voorgaande wil ik graag opmerken dat het door u vastgestelde belastbare inkomen onjuist is. Ik ontvang namelijk zowel binnen als buiten Nederland geen inkomen. Ik zou u dan ook willen verzoeken mijn niet in Nederland belastbare inkomen over het belastingjaar 2020 op € 0,00,- vast te stellen.”
3.6.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de primitieve aanslag IB/PVV 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de inspecteur het bezwaar in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.
3.7.
Met dagtekening 18 oktober 2022 heeft de inspecteur belanghebbende een kennisgeving gestuurd waarin staat dat hij voornemens is navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2019 en 2020. Daarbij heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat Nederland het heffingsrecht heeft over de ZW-uitkering die belanghebbende heeft ontvangen van het UWV van respectievelijk € 33.644 en € 5.526.
3.8.
De inspecteur heeft vervolgens de navorderingsaanslagen en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen met dagtekening 10 december 2022 vastgesteld (zie 1.1).

Motivering

Vooraf: betalingsonmacht griffierecht
4. Belanghebbende heeft ter zake van het te betalen griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan, omdat zij onvoldoende inkomen en geen vermogen heeft. Dat beroep is door de griffier voorlopig toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Zij honoreert dus het beroep op betalingsonmacht. Dit betekent dat belanghebbende geen griffierecht voor het instellen van de beroepen hoeft te voldoen.
Mocht de inspecteur navorderen?
4.1.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur over de jaren 2019 en 2020 navorderingsaanslagen mocht opleggen.
Kenbare fout
4.2.
Navordering is binnen twee jaar na het opleggen van de aanslag mogelijk als de aanslag door een fout te laag is vastgesteld. [2] Dit geldt ook indien de oorzaak van de te lage vaststelling het gevolg is van de geautomatiseerde verwerking van de aangifte. Beoordelingsfouten van de inspecteur vormen hierop een uitzondering. Om te kunnen navorderen moet het verder gaan om een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is (de kenbare fout). Indien de belastingaanslag tenminste 30% afwijkt van de uit de belastingwet voortvloeiende belastingschuld, wordt wettelijk aangenomen dat het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is dat de belastingaanslag te laag is vastgesteld.
4.3.
De inspecteur stelt dat in deze gevallen sprake is van een kenbare fout. Daartoe voert hij aan dat de aangiften voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen niet handmatig zijn beoordeeld, maar geautomatiseerd zijn afgedaan.
4.4.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur in beginsel een navorderingsaanslag kan opleggen in situaties waarin een aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd ten gevolge van een fout van een belanghebbende. Dit is uitsluitend anders indien de door belanghebbende bij het doen van aangifte gemaakte fout, na een beoordeling van de aangifte op dit punt, welbewust door de inspecteur is geaccepteerd. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in de onderhavige gevallen sprake is. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de aangifte IB/PVV 2019 aanvankelijk is uitgeworpen, maar dat de primitieve aanslag vervolgens zonder nader onderzoek geautomatiseerd en overeenkomstig de aangifte is opgelegd (zie 3.3). Ook de primitieve aanslag IB/PVV 2020 is geautomatiseerd en overeenkomstig de aangifte opgelegd (zie 3.4). De primitieve aanslagen zijn dus te laag vastgesteld, niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingschuld of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht, maar als gevolg van de geautomatiseerde aanslagregeling die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in de aanslagen is vastgelegd. [3]
4.5.
In dit geval is ook sprake van een verschil van ten minste 30% tussen de belastingschuld volgens de primitieve aanslagen en de wettelijk verschuldigde belasting. Daarom wordt verondersteld dat de fouten voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of de fouten daadwerkelijk kenbaar waren of redelijkerwijs kenbaar konden zijn voor belanghebbende.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor de onderhavige jaren sprake is van een kenbare fout en dus van een navorderingsgrond.
Het verbod van reformatio in peius
4.7.
Belanghebbende stelt dat zij door het instellen van bezwaar tegen de primitieve aanslag IB/PVV 2020 niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan vóór het instellen van dat bezwaar. De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd (zie 3.5).
4.8.
Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Deze heroverweging is niet bedoeld om het bestuursorgaan in staat te stellen het bestreden besluit ten nadele van de indiener van het bezwaarschrift te herstellen (verbod van reformatio in peius).
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verbod op reformatio in peius niet heeft geschonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verbod slechts ziet op het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, in dit geval de primitieve aanslag IB/PVV 2020. Dit primaire besluit is niet ten nadele van belanghebbende gewijzigd. Daarbij leidt de rechtbank uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever niet heeft bedoeld om het verbod van reformatio in peius ook te laten gelden indien een zelfstandige grond bestaat om een besluit ten nadele van belanghebbende te wijzigen, zoals in het geval bij navordering. [4] Zoals reeds overwogen onder 4.4 en 4.5 was de inspecteur bevoegd navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2019 en 2020. Dat de inspecteur gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid levert geen strijd op met het verbod op reformatio in peius.
4.10.
Gelet op het vorenstaande mocht de inspecteur de navorderingsaanslagen over de jaren 2019 en 2020 opleggen. Voor dat geval is de hoogte van de navorderingsaanslagen niet in geschil.
Belastingrente
4.11.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet mocht navorderen over de jaren 2019 en 2020. Dit betekent dat de belastingrentebeschikkingen ten onrechte zijn vastgesteld.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd. Dit betekent dat de belastingrentebeschikkingen ook terecht zijn vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7864.
2.Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Vgl. Hoge Raad 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:743.