ECLI:NL:RBZWB:2026:439

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/444117 HA RK 26-10 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek in strafzaak tegen verdachte wegens mishandeling

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een wrakingsverzoek behandeld dat was ingediend door de verzoekster, die als verdachte in een strafzaak (mishandeling) was aangemerkt. Het verzoek tot wraking was gericht tegen mr. Janssen, de politierechter in de hoofdzaak. De verzoekster was niet verschenen op de zitting van 16 januari 2026, ondanks een bevel tot medebrenging. Haar gemachtigde was wel aanwezig en had verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden tot na een gesprek met een zorginstelling op 3 februari 2026. De rechter besloot echter de zaak inhoudelijk te behandelen, wat leidde tot het wrakingsverzoek. De verzoekster stelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door de behandeling niet aan te houden en dat dit in strijd was met haar recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 van het EVRM.

De wrakingskamer oordeelde dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die deze onpartijdigheid in twijfel trokken. De beslissing van de rechter om de hoofdzaak niet verder aan te houden werd beschouwd als een procesbeslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel kon geven. De wrakingskamer concludeerde dat verzoekster voldoende gelegenheid had gehad om aanwezig te zijn en dat er geen objectieve rechtvaardiging was voor de vrees van partijdigheid. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard, en werd bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin deze zich bevond voor de indiening van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/444117 HA RK 26-10
beslissing van 22 januari 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. Ö. Arslan).

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met parketnummer 02-226367-25,
 het proces-verbaal van de openbare politierechterzitting van 16 januari 2026, met daarin de wrakingsgronden en de mededeling van de gewraakte rechter dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Janssen (hierna: de rechter), optredend als politierechter in de voornoemde hoofdzaak. Het verzoek rust op de gronden zoals die namens verzoekster uiteen zijn gezet tijdens de voornoemde zitting van 16 januari 2026.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De feiten en de gronden van het wrakingsverzoek

3.1
Verzoekster is in de hoofdzaak verdachte van een strafbaar feit (mishandeling). De behandeling van de hoofdzaak is meerdere keren aangehouden. Vervolgens is er een bevel tot medebrenging uitgevaardigd om verzoekster op de zitting van 16 januari 2026 te laten verschijnen. De oproep is correct betekend. De politie heeft verzoekster echter tot driemaal toe niet aangetroffen in haar woning. Verzoekster is niet op de zitting van 16 januari 2026 verschenen.
3.2
De gemachtigde van verzoekster, die wel op de zitting van 16 januari 2026 aanwezig was, heeft de politierechter in overweging gegeven het gesprek af te wachten dat verzoekster op 3 februari 2026 heeft met [zorginstelling] (een zorginstelling voor mensen met psychiatrische klachten). De rechter heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat de zaak inhoudelijk behandeld kan worden, en daarbij gewezen op: de gedane moeite om verzoekster ter terechtzitting aanwezig te krijgen, het veiligheidsrisico in de hoofdzaak, de aanwezigheid van de gemachtigde van verzoekster en de afwezigheid van de intentie bij verzoekster om gebruik te maken van haar aanwezigheidsrecht.
3.3
Hierop heeft de gemachtigde van verzoekster namens verzoekster de rechter gewraakt, na daartoe via een chatbericht opdracht te hebben gekregen. Verzoekster legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt door de behandeling van de hoofdzaak niet verder aan te houden. Volgens verzoekster kan de rechter zonder een diagnose van [zorginstelling] namelijk niet tot een juiste beoordeling van de hoofdzaak komen. Door het ontnemen van het aanwezigheidsrecht is er volgens verzoekster sprake van strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin het recht op een eerlijk proces is neergelegd.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3
De beslissing van de rechter om de hoofdzaak niet verder aan te houden is een procesbeslissing. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
4.4
Dit kan alleen anders zijn als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak niet gebleken. Verzoekster is in ruim voldoende mate in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van haar strafzaak aanwezig te zijn. Daarnaast is niet onderbouwd waarom de uitkomst van het gesprek bij [zorginstelling] essentieel is voor de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak.
4.5
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoekster vooringenomen is, of dat de vrees van verzoekster daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
4.6
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbanken, rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
Beslissing
De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking van de rechter kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met parketnummer 02-226367-25 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 22 januari 2026 door mr. ing. Th. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Van Kralingen en mr. Broeders, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing mede te ondertekenen.
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.