ECLI:NL:RBZWB:2026:439
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- Th. Peters
- Van Kralingen
- Broeders
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek in strafzaak tegen verdachte wegens mishandeling
Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een wrakingsverzoek behandeld dat was ingediend door de verzoekster, die als verdachte in een strafzaak (mishandeling) was aangemerkt. Het verzoek tot wraking was gericht tegen mr. Janssen, de politierechter in de hoofdzaak. De verzoekster was niet verschenen op de zitting van 16 januari 2026, ondanks een bevel tot medebrenging. Haar gemachtigde was wel aanwezig en had verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden tot na een gesprek met een zorginstelling op 3 februari 2026. De rechter besloot echter de zaak inhoudelijk te behandelen, wat leidde tot het wrakingsverzoek. De verzoekster stelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door de behandeling niet aan te houden en dat dit in strijd was met haar recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 van het EVRM.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die deze onpartijdigheid in twijfel trokken. De beslissing van de rechter om de hoofdzaak niet verder aan te houden werd beschouwd als een procesbeslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel kon geven. De wrakingskamer concludeerde dat verzoekster voldoende gelegenheid had gehad om aanwezig te zijn en dat er geen objectieve rechtvaardiging was voor de vrees van partijdigheid. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard, en werd bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin deze zich bevond voor de indiening van het verzoek.