ECLI:NL:RBZWB:2026:4393

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446088 / JE RK 26-449
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met complexe problematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010, die verblijft in een woon/behandelgroep vanwege complexe problematiek waaronder een disharmonisch intelligentieprofiel, spraak-taalachterstand, het syndroom van Duane en een traumabehandeling.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en heeft een ambivalente houding ten aanzien van de hulpverlening en het perspectief van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming heeft recent onderzoek afgerond zonder verzoek tot gezagsbeëindiging, maar start een nieuw onderzoek dat nog niet is afgerond. De GI verzoekt verlenging van de maatregelen voor een jaar, waarbij de Raad een verlenging van zes maanden adviseert.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging ernstig en blijvend is, dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is vanwege de ambivalentie van de moeder, en dat het verblijf in de woongroep noodzakelijk blijft voor rust, structuur en voortzetting van de traumabehandeling. De verlenging van een jaar wordt noodzakelijk geacht om onrust te voorkomen en duidelijkheid te bieden over het perspectief van de minderjarige, die binnenkort meerderjarig wordt en meer zelfstandigheid wenst.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt vermeld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446088 / JE RK 26-449
Datum uitspraak: 20 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M. van Woensel uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
- het bericht van de GI met bijlagen van 9 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 9 april 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 29 april 2025 tot 29 april 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking van 8 april 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeughulpaanbieder met ingang van 29 april 2025 tot 29 april 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft bij een woon/behandelgroep van [accommodatie] op grond van bovenvermelde machtiging.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. [minderjarige] functioneert op moeilijk lerend niveau, waarbij de referentieleeftijden uiteenlopen van 4 tot 13 jaar. Dit duidt op een disharmonisch intelligentieprofiel. Ook heeft ze een achterstand in haar sociale en emotionele ontwikkeling en een spraak-taalachterstand. Bij [minderjarige] is sprake van het syndroom van Duane, een aangeboren oogziekte, waardoor haar oogspieren niet goed werken. [minderjarige] is een vrolijk meisje dat behoefte heeft aan duidelijkheid, structuur, voorspelbaarheid en rust. Zij houdt van verhalen vertellen en is erg creatief. [minderjarige] kan veel onrust ervaren. Ze is in juli 2024 traumabehandeling gestart, dat verloopt wisselend. Er zijn veel ingrijpende levensgebeurtenissen in de tijdlijn van [minderjarige] , in iedere periode van haar leven. Dit betekent dat het een complex en intensief traject is, wat het ene moment beter haalbaar is dan het andere moment. Momenteel zit ze in de laatste, maar heftige fase van de behandeling. Het heeft een positieve uitwerking op haar functioneren. Er zijn ook zorgen over de seksuele ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . Zij is hierin zeer kwetsbaar, door haar problematiek en meerdere ingrijpende gebeurtenissen op dit gebied. Zoals de vermoedelijke verkrachting in maart 2024. [minderjarige] kan moeilijk haar grenzen aangeven, maar lijkt anderzijds ook zelf grensoverschrijdend gedrag te vertonen. Zij komt daardoor makkelijker in risicovolle situaties. Er is hier hulpverlening op ingezet ( [hulpverlening] ), maar de kwetsbaarheid blijft punt van aandacht. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij moeder. Zij gaat verder opgroeien op de huidige langverblijf groep van [accommodatie] . Moeder is een liefdevolle moeder die over het algemeen meewerkt aan de inzet van hulp voor [minderjarige] . Anderzijds is de leerbaarheid van moeder een zorg. Moeder beschikt over beperkte vaardigheden en daarin wordt minimale groei gezien. Op 24 september 2025 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) hun onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel afgerond. Zij hebben besloten geen gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken, ondermeer omdat moeder heeft leren accepteren dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in de woongroep bij [accommodatie] in het belang is van haar verdere ontwikkeling en er sprake is van een goed en regelmatig contact tussen moeder en [minderjarige] . Ieder weekend gaat [minderjarige] naar huis. Na het onderzoek is ook ervaren dat er in de situatie meer rust is gekomen. Moeder deed een stapje extra om zaken te regelen, zat goed in de samenwerking en ondersteunde het perspectief van [minderjarige] . Daarna werd gezien dat het regelen van praktische zaken toch lastig blijft voor haar. Hulpverlening op dit punt aan moeder, laat moeder onvoldoende toe. Moeder kan onvoldoende accepteren dat het haar niet altijd alleen lukt en dat het accepteren van begeleiding in het belang van [minderjarige] is. In aanloop naar deze zitting wordt ook ervaren dat moeder van houding verandert. Moeder vindt de huidige groep niet de juiste plek voor [minderjarige] . Zij vindt dat [minderjarige] het beste naar huis kan komen. [minderjarige] ervaart meteen de onzekerheid over haar verblijf op de woongroep en heeft zijn weerslag op haar. Duidelijk wordt hierdoor dat moeder niet duurzaam achter het perspectief staat en haar ambivalente houding heeft direct uitwerking op het welbevinden van [minderjarige] . Volledige duidelijkheid van het perspectief van [minderjarige] is een voorwaarde voor haar verdere ontwikkeling en voor een onbelast contact met moeder. Er is daarom nog steeds sprake van een ontwikkelingsdreiging en komend jaar dient er volledige en duurzame duidelijkheid te komen over haar perspectief, opvolging van haar behandeling en aandacht blijft nodig voor het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.
4.2.
Hoewel moeder het eerst niet eens was met de plaatsing van [minderjarige] op de huidige groep, heeft zij ter zitting toegelicht dat zij daar nu wel achter kan staan. [minderjarige] heeft echter een tijd absoluut niet goed in haar vel gezeten op de huidige groep, waardoor moeder onderzoek heeft gedaan of dit wel de meest geschikte plek is voor [minderjarige] . Dit, en mogelijke alternatieven, heeft ze ondermeer besproken met de GI. Ook met [minderjarige] heeft moeder besproken dat een andere plek misschien geschikter zou zijn voor haar, omdat het zo bergafwaarts met haar ging. Moeder wilde graag een goede oplossing voor [minderjarige] . Zij kan echter nu wel staan achter de huidige plaatsing. Moeder heeft verder nog toegelicht dat [minderjarige] graag meer zelfstandig zou willen zijn en naar het trainingshuis zou willen gaan. De advocaat van moeder heeft naar voren gebracht dat de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing een jaar zou moeten zijn. Duidelijkheid en rust is namelijk belangrijk voor [minderjarige] .
4.3.
De Raad heeft de GI bij brief van 8 april 2026 bericht dat zij een verzoek van de GI heeft ontvangen om opnieuw onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid en de noodzaak om het gezag van de moeder van [minderjarige] te beëindigen. De Raad zal dat onderzoek gaan starten en onderdeel van dat onderzoek zal zijn welke kinderbeschermingsmaatregel in het belang van de minderjarige zal zijn. Is dat een ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing of een gezagsbeëindigende maatregel? De Raad adviseert de rechtbank om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen, omdat het voornoemde onderzoek niet beschikbaar zal zijn binnen de termijn van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen. De Raad vindt een verlenging van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen voor de duur van zes maanden wenselijk, gelet op de duur van het komende raadsonderzoek.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, aangezien het belaste verleden van [minderjarige] en haar kind-eigenproblematiek nog steeds specifieke zorg- en opvoedbehoeften vereist. De kwetsbaarheid van [minderjarige] op meerdere gebieden blijft aandacht vragen. Het in ieder geval doordeweeks verblijven op de woongroep blijft noodzakelijk, dit biedt duidelijkheid en kaders die ze nodig heeft en waaruit ze ook de traumabehandeling volgt. Vanuit die duidelijkheid en kaders is het mogelijk dat zij het weekend bij moeder verblijft. Hoewel het enige tijd heel goed verlopen is tussen moeder en [minderjarige] en moeder heeft leren accepteren dat het perspectief van [minderjarige] op de woongroep is, heeft de traumatische ervaring en de gemoedstoestand van [minderjarige] ervoor gezorgd dat moeder zich afgevraagd heeft of de huidige plaatsing het meest geschikt was voor [minderjarige] . Moeder heeft innerlijke onrust ervaren, hetgeen [minderjarige] feilloos heeft opgepikt. Hoewel de bedoelingen van moeder zeer begrijpelijk zijn, heeft dat wel gezorgd voor ruis op de lijn. Bij [minderjarige] is de indruk ontstaan dat zij misschien naar huis zou kunnen, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op haar welbevinden. De GI heeft toegelicht dat de moeder betrokken en liefdevol is richting [minderjarige] , maar dat er een patroon zichtbaar is van ieder jaar terugkerende onrust bij de moeder. Dit heeft ieder jaar ook zijn weerslag op [minderjarige] , hetgeen niet in haar belang is. In het belang van [minderjarige] acht de kinderrechter het noodzakelijk dat er het komende jaar definitief duidelijkheid komt over haar perspectief. Verder is het van belang dat de strakke kaders worden gecontinueerd, aangezien ook dit zorgt voor rust, duidelijkheid en stabiliteit bij [minderjarige] . Daarnaast is het van belang dat er toekomstgericht gekeken gaat worden, nu [minderjarige] op afzienbare termijn de 18-jarige leeftijd bereikt. Ze wil graag meer zelfstandigheid, de GI zal in kaart moeten brengen wat de mogelijkheden van [minderjarige] hierin zijn en welke vorm van wonen geschikt voor haar is na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat moeder in het verleden regelmatig ambivalent tegenover hulpverlening stond. De innerlijke onrust van moeder over wat het beste is voor [minderjarige] lijkt zich ieder jaar te herhalen. Regievoering vanuit het gedwongen kader is nodig voor wat betreft de inzet van de hulpverlening en in het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. [minderjarige] is namelijk gebaat bij rust en duidelijkheid van waaruit zij kan ontwikkelen. Een half jaar verlengen van de maatregel levert teveel onrust op, bij zowel moeder als [minderjarige] .
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 april 2026 tot 29 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 april 2026 tot 29 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.