Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaken tussen
[verzoeker 1] , uit [woonplaats 1] ,
[verzoeker 2] , uit [woonplaats 1] ,
[verzoekster 3]uit [woonplaats 2] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben meerdere verzoekers beroep ingesteld tegen een besluit van het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta, waarin hun bezwaren ongegrond werden verklaard. Het algemeen bestuur heeft het bestreden besluit op 17 september 2025 volledig ingetrokken, waarna verzoekers hun beroep hebben ingetrokken.
De rechtbank heeft het algemeen bestuur in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om proceskostenveroordeling, maar het bestuur heeft niet gereageerd. De rechtbank beoordeelt dat het algemeen bestuur door de intrekking van het besluit geheel aan de verzoekers is tegemoetgekomen.
Op grond hiervan wijst de rechtbank de verzoeken om proceskostenveroordeling toe en veroordeelt het algemeen bestuur tot betaling van € 934,- per zaak aan proceskosten aan de verzoekers. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het algemeen bestuur verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 januari 2026 en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het algemeen bestuur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- per zaak aan verzoekers na intrekking van het bestreden besluit.