Verzoeker diende op 23 september 2024 een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf. De burgemeester stelde deze aanvraag op 21 juli 2025 buiten behandeling vanwege onduidelijkheden over de financieringsconstructie en de herkomst van de middelen. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester niet langer bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat de termijn voor aanvulling van de aanvraag was verstreken zonder verlenging. Verzoeker had tijdig aanvullende stukken ingediend en de burgemeester had onvoldoende concreet aangegeven welke gegevens nog ontbraken.
De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en draagt de burgemeester op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.