Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4414

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
26/2530
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gedeeltelijke toewijzing handhavingsverzoek praktijkruimte

Verzoeker heeft op 15 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend tegen een praktijkruimte bij een woning in de gemeente Goes. Het college heeft dit verzoek op 23 februari 2026 gedeeltelijk toegewezen en dwangsommen opgelegd om de praktijkruimte in overeenstemming te brengen met de omgevingsvergunning van 7 juli 2022.

Verzoeker vroeg om een bouwstop omdat hij het niet eens is met de verleende omgevingsvergunning en vreest dat de eigenaar een fysieke verbinding tussen woning en praktijkruimte zal aanbrengen. De voorzieningenrechter kan de rechtmatigheid van de onherroepelijke vergunning niet toetsen in deze procedure en acht geen spoedeisend belang aanwezig.

De eigenaar bevestigde dat de werkzaamheden inmiddels zijn voltooid, waardoor een bouwstop geen effect meer heeft. De discussie over de vergunning kan in de bezwaarprocedure worden voortgezet. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onherroepelijkheid van de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2530

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 februari 2026 waarin het college het handhavingsverzoek van verzoeker gedeeltelijk heeft toegewezen (bestreden besluit).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft op 15 september 2025 verzocht om handhavend op te treden tegen een praktijkruimte bij een woning aan de [adres] in [plaats] (gemeente Goes). Het college heeft met het besluit van 23 februari 2026 het handhavingsverzoek gedeeltelijk toegewezen omdat de aanbouw van de praktijkruimte is uitgevoerd in afwijking van de omgevingsvergunning van 7 juli 2022. Het college heeft vervolgens drie lasten onder dwangsom opgelegd, waaronder aan de eigenaar/vergunninghouder van de Nieuwe Rijksweg 2B. Samengevat strekken deze lasten ertoe om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de verleende omgevingsvergunning, of om een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen voor de gewijzigde uitvoering.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college op 7 juli 2022 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een praktijkruimte aan de Nieuwe Rijksweg 2B. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk. De voorzieningenrechter stelt ook vast dat het college met het bestreden besluit heeft geconstateerd dat sprake is van een overtreding omdat de praktijkruimte niet conform deze omgevingsvergunning is uitgevoerd en dat het college om die reden de lasten onder dwangsom heeft opgelegd teneinde de situatie in overeenstemming te brengen met de omgevingsvergunning. Voor dit onderdeel van zijn handhavingsverzoek heeft verzoeker dus van het college gelijk gekregen.
5. Verzoeker vraagt in zijn verzoek om een voorlopige voorziening om een bouwstop op te leggen, omdat hij het niet eens is met de verleende omgevingsvergunning en omdat de eigenaar op korte termijn voornemens is om alsnog een fysieke verbinding aan te brengen tussen de woning en de praktijkruimte. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet kan beoordelen, omdat deze onherroepelijk is en omdat het bezwaar is gericht tegen een besluit op het handhavingsverzoek van eiser. Dit valt dus buiten de omvang van de procedure. Om deze reden kan de vermeende onrechtmatigheid van de omgevingsvergunning ook geen argument zijn om een bouwstop op te leggen.
6. De griffier heeft na ontvangst van het verzoek om een voorlopige voorziening telefonisch contact opgenomen met de eigenaar/vergunninghouder en met de vertegenwoordiger van het college. Zij hebben allebei bevestigd dat de eigenaar voornemens is om de lasten uit te gaan voeren door de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie. De griffier heeft dit vervolgens besproken met verzoeker, maar dit gaf verzoeker geen aanleiding om zijn verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken omdat hij het inhoudelijk oneens blijft met de omgevingsvergunning. De eigenaar/vergunninghouder heeft vervolgens bevestigd dat de uitvoeringswerkzaamheden inmiddels zijn voltooid. Dat betekent dat met het opleggen van een bouwstop niets meer kan worden bereikt. Daarom is geen sprake van een spoedeisend belang. De discussie of al dan niet in overeenstemming met de onherroepelijke omgevingsvergunning is gebouwd, kunnen partijen (eventueel) voeren in de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 20 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.