ECLI:NL:RBZWB:2026:443

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
23/10406
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPMArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste waardering auto met schade

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.192 en een belastingrentebeschikking van € 5 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de waardering van een Audi Q8 met aanzienlijke schade en de toepassing van koerslijsten.

De rechtbank stelt vast dat de waardevermindering wegens schade op € 14.433 moet worden vastgesteld, gebaseerd op een hertaxatie door DRZ die 72% van de schade op de handelsinkoopwaarde in mindering brengt. De rechtbank verwerpt het hogere schadebedrag van belanghebbende en het standpunt van de inspecteur om een forfaitaire afschrijvingstabel toe te passen.

Verder oordeelt de rechtbank dat de koerslijst van Xray moet worden gevolgd en niet de later ingebrachte koerslijst van AutotelexPro, omdat dit standpunt te laat is ingenomen. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op € 172.724 conform het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.

De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.163 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig. Daarnaast kent zij een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 618 voor rekening van de inspecteur en € 882 voor de Staat. Ook worden griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM en belastingrente worden verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.192. Gelijktijdig is bij beschikking € 5 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking moeten worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 19 augustus 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q8 4.0 TDI SQ8 quattro met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.717.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van Direct Taxatie B.V. van 17 augustus 2021. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 57.308, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 31.348 geconstateerd en dit bedrag volledig in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 25.960.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 1 september 2021. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 56.794 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft een bedrag aan schade geconstateerd van € 20.046 en daarvan € 14.433 (72%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 42.361.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 10.909 inclusief een extra leeftijdskorting van € 184. Met dagtekening 9 september 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.192 aan verschuldigde Bpm.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en tot welk bedrag een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
4.1.
Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot de onafhankelijkheid en deskundigheid van de taxateur ter zitting ingetrokken.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.3.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 31.348 en deze volledig op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 20.046 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Nu beide partijen uitgaan van een aanzienlijk bedrag aan waardevermindering wegens schade is de rechtbank van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto 21 maanden oud is en 33.982 kilometer heeft gereden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een hoger percentage dan 72% als waardevermindering in aanmerking te nemen. De bewijslast voor een hoger percentage aan waardevermindering rust op belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat de auto jong en exclusief is en weinig kilometers heeft gereden is naar de rechtbank in dit geval onvoldoende om een hogere waardevermindering in aanmerking te nemen. De stelling dat de schade omvangrijk en gecompliceerd was is door belanghebbende onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daarom uit van een waardevermindering van € 14.433, te weten 72% van € 20.046.
4.5.
De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport hoeven dan geen behandeling meer. Ook het primaire standpunt van de inspecteur dat de forfaitaire afschrijvingstabel moet worden toegepast, wordt hiermee verworpen.
Historische nieuwprijs
4.6.
Belanghebbende gaat uit van eenzelfde netto catalogusprijs (€ 105.462) als DRZ. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 172.724 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [2]
Handelsinkoopwaarde
4.7.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 56.794 zoals volgt uit de koerslijst van Xray die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.
4.8.
De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de koerslijst van AutotelexPro moet worden gevolgd die ook bij het rapport van hertaxatie is gevoegd en waaruit een aanzienlijk hogere handelsinkoopwaarde volgt.
4.9.
Belanghebbende stelt dat deze stelling te laat is ingenomen en tardief moet worden verklaard. Hij stelt dat het op de weg van de inspecteur had gelegen om hier in het verweerschrift op in te gaan.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de koerslijst van AutotelexPro bij het rapport van hertaxatie is gevoegd, en dat de inspecteur zich hierover in het verweerschrift niet heeft uitgelaten. Ook heeft de inspecteur geen nadere reactie ingediend meer dan tien dagen voor de zitting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ruimschoots de gelegenheid gehad om met betrekking tot de koerslijst een nadere stelling in te nemen hetgeen hij niet heeft gedaan. Door pas op zitting de stelling in te nemen dat de koerslijst van AutotelexPro moet worden toegepast acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat dit nadere standpunt van de inspecteur daarom als tardief buiten beschouwing.
4.11.
De rechtbank gaat daarom uit van de koerslijst van Xray zoals bij het rapport van hertaxatie is gevoegd en waaruit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgt van € 56.794.
4.12.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.6 vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
4.13.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 1 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [3] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
4.14.
Gelet op al het vorenoverwogene stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 42.361.
Hoogte naheffingsaanslag
4.15.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 172.724, een handelsinkoopwaarde van € 42.361 en een bruto Bpm van € 45.115 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 11.064, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 184. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 6.717 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 4.163. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval interne compensatie toe te passen zoals de inspecteur heeft verzocht. De belastingrentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zeventien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.18.
Omdat de bezwaarfase afgerond dertien maanden heeft geduurd en daarmee zeven maanden te lang komt € 618 (7/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 882) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. [4] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.163 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 618;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 882;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm
3.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.