ECLI:NL:RBZWB:2026:450

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
02-360912-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanranding van de eerbaarheid met geweld en andere feitelijkheden

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van aanranding. De verdachte, geboren in 1988, werd ervan beschuldigd op 6 mei 2024 de aangeefster te hebben aangerand door haar vagina en billen te betasten. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 13 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster als betrouwbaar beoordeeld, ondanks dat er kleine discrepanties waren in haar verklaringen. De rechtbank vond voldoende steunbewijs in de verklaringen van getuigen die de situatie bevestigden. De verdachte ontkende de beschuldigingen en kwam pas op de zitting met een verklaring, die door de rechtbank als ongeloofwaardig werd beschouwd. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen had gepleegd. De rechtbank legde een taakstraf van 80 uren op, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren werd verricht, en sprak de verdachte vrij van andere tenlastegelegde feiten. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-360912-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsman mr. A.J.C.M. de Graaff, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. D.E. van Hout en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 mei 2024 [aangeefster] heeft aangerand door haar vagina en billen te betasten.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Aangeefster heeft een consistente en betrouwbare verklaring afgelegd die steun vindt in de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] . Verdachte is daarentegen pas op zitting met een verklaring gekomen. Zijn verklaring is ongeloofwaardig.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte ontkent enige ontuchtige handeling te hebben gepleegd. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar. Zij heeft wisselend en onduidelijk verklaard over de plek waar zij zou zijn aangeraakt en de wijze waarop verdachte met zijn hand in haar broek zou zijn gegaan. De verklaring van aangeefster vindt daarnaast geen steun in andere bewijsmiddelen. De verdediging wijst er tot slot op dat er geen DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden aan de kleding van aangeefster.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Het gaat in zedenzaken echter vaak om bepaalde seksuele handelingen, waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er in dat geval maar één getuige die kan verklaren over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel geldt voor de
geheletenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de tenlastegelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg, mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn uit een andere bron dan die ene getuigenverklaring.
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [aangeefster]Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 6 mei 2024 naar de school van haar dochter is gegaan. Zij had samen met verdachte en haar nicht [getuige] een gesprek met de directeur van de school vanwege een luizenplaag op school. Op het schoolplein maakte verdachte een opmerking over haar borsten. Na het gesprek met de directeur liep aangeefster het schoolplein af. Verdachte liep achter haar aan. Dit terwijl zijn auto de andere richting als waar zij opliep geparkeerd stond. Het vorenstaande wordt door verdachte bevestigd.
Vanaf dat moment lopen de lezingen van aangeefster en verdachte uiteen. Aangeefster verklaart dat, toen zij over de [straat] langs een steegje liep, verdachte haar het steegje in trok. Daar duwde hij haar tegen de muur en probeerde hij haar te kussen. Zij gaf aan dat zij dit niet wilde. Zij deed haar arm voor haar gezicht en zei
‘niet doen’.Zij voelde dat verdachte zijn rechter hand op haar borst legde en met zijn linker hand via de voorkant in haar broek ging en haar lies aanraakte. Toen zij haar benen daarop kruiste, zei hij dat zij niet zo moeilijk moest doen en verplaatste hij zijn linker hand naar haar blote bil. Het stopte toen er een garagedeur openging. Hij schrok en liet haar gelijk los, waardoor zij weg kon lopen. Zij was erg in paniek en moest huilen. Aangeefster is meteen naar huis gelopen. Onderweg heeft zij haar partner gebeld en hem alles verteld. Toen zij thuis was, heeft zij haar moeder ingelicht. Daarna heeft zij haar nicht [getuige] gebeld en tegen haar verteld wat haar zojuist was overkomen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster, die erop neerkomt dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden, betrouwbaar is en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Zij heeft bij het informatief gesprek zeden op 15 mei 2024 en tijdens haar verhoor bij de politie op 31 mei 2024 op hoofdlijnen steeds consistent en gedetailleerd verklaard over wat haar is overkomen op 6 mei 2024. Zij heeft daarbij consistent verklaard over de plaats waar de handelingen plaatsvonden, de door verdachte bij haar verrichte handelingen alsmede de volgorde daarvan, hoe het is gestopt en wie zij daarna daarover heeft gebeld. Het feit dat aangeefster later, op 23 april 2025, bij de rechter-commissaris zich niet alles meer kan herinneren, maakt dat niet anders. De kleine discrepanties tussen de verklaringen van aangeefster bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn, mede gezien het tijdsverloop, verklaarbaar en brengen niet met zich mee dat daardoor de gehele verklaring van aangeefster ongeloofwaardig wordt.
Steunbewijs
Het dossier bevat ook steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Zoals hierboven weergegeven is aangeefster direct na het gebeuren naar haar woning gelopen en heeft zij haar nicht [getuige] gebeld. [getuige] hoorde dat aangeefster overstuur was en huilde. Aangeefster vertelde haar direct dat verdachte haar achterna was gelopen, haar een steegje had ingetrokken, haar daar tegen de muur had geduwd en haar had geprobeerd te kussen. Verdachte was daarna met zijn hand via de voorkant in haar broek gegaan. Toen de garagedeur openging, stopte het. Deze verklaring komt in de kern overeen met wat aangeefster heeft verklaard. Ook heeft getuige [getuige] voorafgaand aan het voorval, op het schoolplein, gehoord dat verdachte een opmerking maakte over de borsten van aangeefster. Ook dat ondersteunt de verklaring van aangeefster.
De inhoud van de verklaring van aangeefster wordt verder ondersteund door de verklaring van [getuige] , één van de bewoonsters aan de [straat] . [getuige] heeft verklaard dat zij achter haar schutting een vrouw hoorde roepen:
‘niet doen, niet doen’.Zij dacht dat er een vrijpartij gaande was. Ook dit wijst erop dat er ontuchtige handelingen tegen de zin van aangeefster zijn verricht.
Verklaring van verdachteTegenover dit alles staat de ontkennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij achter aangeefster is aangelopen om een tas met vieze kleding aan haar te geven en om te zeggen dat hij een melding ging maken bij Veilig Thuis. Aangeefster zou als reactie daarop ‘
niet doen, niet doen’ hebben geroepen. Hij is daarna weggelopen.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, gelet op wat hiervoor is overwogen en alles in onderlinge samenhang bezien, niet geloofwaardig. [getuige] heeft geluiden gehoord die hier niet bij aansluiten. Verdachte is bovendien pas op zitting met deze verklaring gekomen.
ConclusieNaar het oordeel van de rechtbank vindt de betrouwbare verklaring van aangeefster voldoende steun in de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] . Er is dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen bij aangeefster heeft gepleegd.
De rechtbank ziet geen noodzaak om, voor zover dat nog mogelijk is, nog nader DNA-onderzoek te laten verrichten aan de kleding van aangeefster. De resultaten van dit onderzoek maken het oordeel van de rechtbank niet anders. In het geval er geen DNA van verdachte op de kleding van aangeefster wordt gevonden, wil dit namelijk niet zeggen dat het tenlastegelegde niet is gebeurd.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 6 mei 2024 te [plaats 2] , door een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft
gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de bil van die [aangeefster] en bestaande die andere feitelijkheid uit het in een steegje duwen van die [aangeefster] en die [aangeefster] tegen de muur aan duwen en vervolgens met zijn hand in de broek van die [aangeefster] te gaan en niet te stoppen nadat die [aangeefster] dit had aangegeven.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast vordert zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van zijn ex-partner. Hij heeft het slachtoffer, met wie hij net daarvoor een gesprek had gehad op school over hun dochter, achtervolgd. Hij heeft haar een steegje ingetrokken en haar daar tegen de muur geduwd. Vervolgens heeft hij haar tegen haar zin geprobeerd te zoenen, is hij met zijn hand in haar broek gegaan en heeft hij haar bil betast.
Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zij moet zich daarbij heel onveilig hebben gevoeld. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft enkel zijn eigen seksuele behoeften vooropgesteld. Bovendien heeft verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij ontkent het slachtoffer te hebben aangerand en komt op zitting met een ongeloofwaardige verklaring. De rechtbank neemt dit verdachte uitermate kwalijk.
De straf
Voor aanranding van de feitelijke eerbaarheid zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf met name gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is. Zij zal dit dan ook verdachte opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke straf. Het feit dateert van 6 mei 2024. Verdachte is sindsdien niet meer met politie en/of justitie in aanraking gekomen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
40 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter,
en mr. R. Combee en mr. N. van der Hoeven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 27 januari 2026.
Mr. N. van der Hoeven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 6 mei 2024 te [plaats 2] , door geweld of een andere feitelijkheid
en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft
gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te
weten het betasten van de vagina en/of billen van die [aangeefster] en bestaande dat
geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid uit het in een steegje duwen van die [aangeefster] en/of die [aangeefster] tegen
de muur aan duwen en/of vervolgens met zijn hand in de broek van die [aangeefster] te
gaan en/of niet te stoppen nadat die [aangeefster] dit had aangegeven;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )