ECLI:NL:RBZWB:2026:451

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/439237 / JE RK 25-1565
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte verlenging machtiging gesloten jeugdhulp wegens wachtlijst open groep

De minderjarige verblijft sinds juli 2025 in een gesloten jeugdhulpinstelling vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Positieve ontwikkelingen maken dat de minderjarige klaar is voor een overstap naar een open groep, maar er is geen beschikbare plek. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp voor twee maanden, terwijl de advocaat en moeder een kortere verlenging van twee weken voorstellen om tijd te geven voor een passende open plek.

De kinderrechter weegt het belang van de minderjarige, het wettelijke kader en de terughoudendheid bij vrijheidsbeneming af. Hoewel de GI aangeeft dat de wettelijke vereisten voor gesloten jeugdhulp niet langer worden voldaan, is er geen alternatief beschikbaar. De minderjarige wil liever op de huidige gesloten groep blijven dan op een crisisgroep geplaatst worden.

De kinderrechter besluit daarom de machtiging gesloten jeugdhulp te verlengen voor twee weken tot 15 februari 2026, met het oog op het belang van de minderjarige en de zoektocht naar een open plek. De beslissing over het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nadere zitting. De kinderrechter benadrukt dat gesloten jeugdhulp niet bedoeld is als overbrugging van wachtlijsten en dat de minderjarige zoveel mogelijk vrijheden moet krijgen tijdens het verblijf.

Uitkomst: De machtiging gesloten jeugdhulp wordt verlengd voor twee weken tot 15 februari 2026 vanwege het ontbreken van een plek in de open groep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439237 / JE RK 25-1565
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 9 januari 2026 ontvangen bericht van de GI, met bijlagen.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de kinderrechter gehoord:
- [minderjarige] , die ook apart is gehoord, bijgestaan door mr. Van Vliet;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juni 2015 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] , die tot dat moment was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag, beëindigd en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (als rechtsvoorganger van de GI) benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2025 is een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend met ingang van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 september 2025 is (aansluitend) een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 1 november 2025. Omdat [minderjarige] niet bij die zitting aanwezig was, is die machtiging slechts voor de duur van een maand verleend. De beslissing over het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 oktober 2025 (aansluitend) een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 1 februari 2026. De beslissing over het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 14 januari 2026.
2.4.
Op basis van de laatstgenoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [hulpverlening] in [plaats 1] , in een gesloten setting.

3.Het resterende deel van het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan

3.1.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee maanden, dus tot 1 april 2026.
3.2.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] heeft in de afgelopen twee maanden grote positieve stappen gezet op de groep en in het kader van de behandelingen, waardoor zij steeds meer vrijheden heeft verdiend. Zij heeft een goede band met haar mentor, zij heeft sinds deze maand wekelijks een dag omgang met haar moeder, zij gaat naar een externe school ( [school 1] in [plaats 2] ), zij reist zelfstandig en zij heeft toegang tot haar telefoon. De uitdaging voor [minderjarige] in de komende periode is om de positieve ontwikkelingen voort te zetten terwijl haar vrijheden verder worden uitgebreid. Sinds begin december 2025 staat [minderjarige] op de wachtlijst voor de open groep “ [school 2] ” op het terrein van [hulpverlening] in [plaats 1] en voor begeleid wonen van [hulpverlening] , ook in [plaats 1] . Andere instellingen bleken niet passend, omdat deze buitenregionaal zijn, [minderjarige] van daaruit niet naar haar huidige school kan blijven gaan of omdat deze dichtbij de woonplaats van de moeder zijn gelegen. Vanuit [hulpverlening] is echter aangegeven dat niet de verwachting bestaat dat [minderjarige] voor februari 2026 op de open groep kan worden geplaatst. [hulpverlening] kan ook niet aangeven binnen welke termijn daar wel een plek zal zijn voor [minderjarige] . Tegelijkertijd zijn de vrijheden van [minderjarige] pas recent uitgebreid, waardoor de huidige positieve situatie nog pril en kwetsbaar is. De GI vindt het daarom belangrijk dat [minderjarige] , totdat zij kan worden overgeplaatst naar de open groep van [hulpverlening] , haar verblijf op de huidige gesloten groep kan voortzetten, waarbij zij zo veel als mogelijk “open” vrijheden zal krijgen.
3.3.
Gelet op het voorgaande handhaaft de GI het resterende deel van het verzoek. De GI verwacht in ieder geval nog zes weken nodig te hebben om [minderjarige] te kunnen overplaatsen naar de open groep. Als [minderjarige] op een eerder moment kan worden overgeplaatst, dan zal de GI daar uiteraard op inzetten.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] is naar eigen zeggen klaar voor een open plek. Zij wil dan ook het liefste naar de open plek toe gaan en van daaruit toewerken naar begeleid wonen. Nu de open plek nog niet beschikbaar is, wil [minderjarige] liever op de huidige, gesloten groep blijven met zoveel als mogelijk “open” vrijheden dan dat zij tijdelijk op een crisisplek wordt geplaatst elders in het land en, zodra er plek is op de open plek, dat zij dan weer ergens opnieuw moet beginnen. Hoewel [minderjarige] momenteel veel vrijheden heeft, heeft zij haar telefoon nog niet volledig in eigen beheer en mag zij niet zelfstandig naar een andere stad toe gaan. Hierdoor kan [minderjarige] niet naar haar tante toe gaan die vanwege haar gezondheid niet op bezoek kan komen in [plaats 1] . In die zin heeft [minderjarige] dus wel last van het gesloten karakter van de gesloten groep.
4.2.
De advocaat heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De advocaat geeft [minderjarige] een groot compliment voor wat zij tot nu toe heeft bereikt. Het gaat nu zo goed, dat [hulpverlening] aangeeft dat wat haar betreft niet meer wordt voldaan aan de gronden voor een plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg. Daarbij komt nog dat de GI geen actuele schriftelijke verklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper heeft overgelegd, waaruit blijkt dat een gedragswetenschapper, nadat hij [minderjarige] feitelijk heeft onderzocht, instemt met het resterende deel van het verzoek. Gelet hierop is het resterende deel van het verzoek, naar de mening van de advocaat, voor afwijzing gereed. De huidige machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] loopt nog twee weken. Om iets meer tijd te hebben om een passende vervolgplek voor [minderjarige] te vinden op de open groep bij [hulpverlening] , verzoekt de advocaat, met het oog op het belang van [minderjarige] , om de machtiging te verlengen voor de duur van twee weken en de beslissing voor het overige aan te houden tot een nadere zitting, zodat er wederom sprake zal zijn van een tussentijds toetsmoment. Zodoende heeft de GI dan in totaal vier weken de tijd om een passende vervolgplek in een open setting voor [minderjarige] te vinden. Dit zou ook als signaal richting [hulpverlening] fungeren en aangeven dat er echt op de kortst mogelijke termijn een open plek voor [minderjarige] moet worden gevonden. In de tussentijd kan [minderjarige] nog wat langer oefenen met het omgaan met haar vrijheden en kan er eventueel worden ingezet op een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] om de overgang naar de meer open setting zo goed mogelijk te borgen.
4.3.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder complimenteert [minderjarige] ook met hoe goed zij het momenteel doet. De moeder had het liefste gezien dat de machtiging niet had hoeven worden verlengd. Maar nu er nog geen plek is voor [minderjarige] op de open groep, kan de moeder ermee instemmen om de machtiging te verlengen voor de duur van twee weken, zoals de advocaat heeft voorgesteld.
4.4.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt het jammer dat, nu [minderjarige] er klaar voor is om de overstap te maken naar een open groep, zij daar nu nog niet terecht kan. Van belang is dat [minderjarige] de positieve lijn zal doorzetten. De Raad vindt het in dat licht bezien niet in het belang van [minderjarige] dat zij tijdelijk op een crisisgroep wordt geplaatst. Gelet hierop kan de Raad instemmen met een verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] . Hoewel [hulpverlening] aangeeft dat wat haar betreft niet meer wordt voldaan aan de gronden voor plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg, zegt [hulpverlening] ook dat het belangrijk is dat [minderjarige] bescherming behoudt, dat zij fouten kan en mag maken en dat de huidige positieve ontwikkelingen nog pril en kwetsbaar zijn. De Raad ziet hierin wel aanknopingspunten om de machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlengen. De Raad verwacht ook niet dat een verlenging van de machtiging voor een korte duur, en daarmee meer druk op de ketel, ertoe zal leiden dat er op eerder moment een plek beschikbaar zal komen voor [minderjarige] op de open groep.

5.De nadere beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2. van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. In de afgelopen periode heeft [minderjarige] bescherming, begeleiding en behandeling nodig gehad in de gesloten jeugdzorg. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] erg haar best heeft gedaan en dat zij positieve stappen heeft gezet. Zij heeft het zo goed gedaan, dat [hulpverlening] nu aangeeft dat er wat [hulpverlening] betreft niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg. [minderjarige] is er nu dan ook klaar voor om de overstap te maken naar een open groep. Echter, op de open groep die de GI op het oog heeft voor [minderjarige] op het terrein van [hulpverlening] in [plaats 1] , is op dit moment nog geen plek voor haar. Bovendien is het onduidelijk op welke termijn zij daar wel terecht kan.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat een machtiging gesloten jeugdhulp de allerzwaarste kinderbeschermingsmaatregel is die zij binnen het civiele kader kan uitspreken. Aangezien het gaat om vrijheidsbeneming, moet daar terughoudend mee worden omgegaan. Deze maatregel kan alleen als ultimum remedium worden ingezet, oftewel alleen als er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen van een minderjarige te behandelen. Hoewel de kinderrechter het belang van het kind altijd voorop stelt en zij daarom altijd tot op zekere hoogte meedenkt en -zoekt naar een oplossing waar het kind het meest bij gebaat is, is en blijft de wet daarbij het uitgangspunt. Nu er sprake is van positieve ontwikkelingen en [hulpverlening] aangeeft dat wat haar betreft niet langer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg, vindt de kinderrechter het op dit moment een brug te ver om het resterende deel van het verzoek volledig toe te wijzen en een opvolgende machtiging gesloten jeugdzorg voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee maanden. Daar tegenover staat dat er op dit moment geen plek beschikbaar is op de open groep voor [minderjarige] , dat de GI een dergelijke plek zelf niet kan creëren en dat zij bij haar zoektocht afhankelijk is van anderen. Daarbij komt dat [minderjarige] heeft gezegd dat zij liever nog even op de huidige gesloten groep wil blijven dan dat zij tijdelijk op een (open) crisisgroep wordt geplaatst. De kinderrechter vindt een crisisgroep ook geen goede omgeving voor een jongere die positieve ontwikkelingen heeft laten zien, zoals [minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter zal daarom, ondanks dat niet lijkt te worden voldaan aan de wettelijke vereisten voor gesloten jeugdhulp, met het oog op het belang van [minderjarige] , het resterende deel van het verzoek voor een beperkte periode toewijzen en een opvolgende machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verlenen voor de duur van twee weken, tot 15 februari 2026. Daarmee heeft de GI ruim vier weken de tijd om de overplaatsing van [minderjarige] naar een open groep te realiseren. De beslissing over het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur]. Deze dag en tijdstip heeft de kinderrechter ter zitting bepaald in afstemming met de advocaat en de GI en aan hen medegedeeld.
5.5.
De kinderrechter benadrukt dat de zitting op [datum] 2026 alleen hoeft door te gaan als de GI te zijner tijd het resterende deel van haar verzoek handhaaft. Het beste zou zijn dat [minderjarige] dan al is overgeplaatst naar de open groep en dat een opvolgende machtiging gesloten jeugdhulp dus niet nodig is. In dat geval verzoekt de kinderrechter aan de GI om dit schriftelijk door te geven, waarna de kinderrechter deze zaak verder schriftelijk zal afdoen.
5.6.
Als de GI aangeeft dat het nodig is om het verblijf van [minderjarige] op de huidige groep nog langer voort te zetten en de GI het resterende deel van het verzoek dus handhaaft, dan zal de kinderrechter dit verzoek dus op de volgende zitting mondeling behandelen.
De kinderrechter verzoekt in dat geval om haar tijdig voorafgaand aan de volgende zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken en daarbij een schriftelijke verklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper te overleggen, waaruit blijkt dat de onafhankelijke gedragswetenschapper, nadat deze [minderjarige] feitelijk heeft onderzocht, instemt met het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter benadrukt hierbij, zoals zij al eerder heeft overwogen, dat het niet de bedoeling is dat [minderjarige] langer in de gesloten jeugdzorg moet blijven enkel vanwege wachtlijstproblematiek.
5.7.
De kinderrechter overweegt dat het aan de GI is om al dan niet in te zetten op een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, zoals de advocaat heeft voorgesteld. Hoewel een verzoek om een dergelijke machtiging te verlenen nu niet aan haar voorligt, kan de kinderrechter zich daar wel wat bij voorstellen. De kinderrechter vindt tot slot dat [minderjarige] zolang zij nog op de gesloten groep verblijft, zo veel als mogelijk vrijheden moet krijgen. Dit houdt in dat alle vrijheidsbeperkende maatregelen die in geslotenheid genomen kunnen worden, voor [minderjarige] niet meer aan de orde zijn. Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen regels meer voor haar gelden, want ook thuis, in een open groep of in een pleeggezin gelden uiteraard regels en moet een jongere zich aan afspraken houden.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een (opvolgende) machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 1 februari 2026 tot 15 februari 2026;
6.2.
houdt de beslissing voor het overige aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij mr. Van Triest als kinderrechter, gehouden in het gebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor [minderjarige] , haar advocaat en de GI;
6.4.
bepaalt dat de moeder, omdat zij als informant in deze zaak geen afschrift van deze beschikking krijgt, per brief zal worden opgeroepen voor de zitting;
6.5.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.