ECLI:NL:RBZWB:2026:453

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
02-136691-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging zware mishandeling en mishandeling met volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 2 juni 2023 geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes en met een tafel. De verdachte is geboren in 1994 en was ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar, zoals vastgesteld door deskundigen. De rechtbank heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij niet strafbaar werd geacht. De vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 2], werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen straf of maatregel aan de verdachte werd opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel degelijk de intentie had om angst aan te jagen, maar dat hij door zijn geestelijke toestand niet in staat was om de gevolgen van zijn daden te overzien. De rechtbank heeft de bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling en mishandeling vastgesteld, maar de verdachte werd vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2]. De zaak is behandeld op de zitting van 13 januari 2026, waar de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-136691-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.A.M. Dekkers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes stekende bewegingen te maken en met een tafel tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan. Subsidiair zijn beide feiten als mishandeling ten laste gelegd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen zoals deze blijken uit het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van de aangevers zijn inconsistent en tegenstrijdig. Daarnaast vinden de verklaringen van beide aangevers geen steun in objectieve bewijsmiddelen.
Anders dan de officier van justitie is de verdediging van mening dat niet kan worden gesproken van voorwaardelijk opzet nu uit de pro-justitiarapportage volgt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten waarvan hij wordt verdacht. Er kan om deze reden niet worden gesproken van willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden op (zwaar) lichamelijk letsel nu hij psychisch niet in staat was gevolgen af te wegen en te overzien
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1, primair (poging zware mishandeling [slachtoffer 1] )
Niet ter discussie staat dat verdachte op 2 juni 2023 met een mes de tuin van [adres 2] in is gelopen, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden. [slachtoffer 1] beschrijft dat bij hem ineens het licht uitging en dat, toen hij weer wakker werd, hij het nodige letsel had. Hij weet niet wat er gebeurd is. [slachtoffer 1] hoorde van [slachtoffer 2] dat verdachte hem met een tafel had geslagen en met een mes wilde steken. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] . Hij stelt dat verdachte aan kwam rennen, [slachtoffer 1] eerst heeft aangevallen met het mes, waarna [slachtoffer 2] tussenbeide is gekomen en is gesneden in zijn vingers en met het mes is geraakt in zijn oksel. Daarna heeft verdachte [slachtoffer 1] met een tafel tegen het hoofd geslagen. Daarbij verklaart [slachtoffer 2] dat hij heeft gezien dat verdachte stekende bewegingen met het mes maakte in de richting van de buik van [slachtoffer 1] en hij dacht op dat moment dat [slachtoffer 1] daar ook geraakt was door het bloed op het shirt. Dat bleek later niet zo te zijn. [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat een man met een pet (dat bleek later verdachte te zijn) de buurman ( [slachtoffer 1] ) aanviel en dat een tweede man verdachte probeerde tegen te houden. [verbalisant 1] heeft bij [slachtoffer 1] (aan de voor- en zijkant van zijn hoofd) en bij [slachtoffer 2] letsel waargenomen dat strookt met de aangifte en de getuigenverklaring. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij hen met het mes schrik wilde aanjagen.
De rechtbank is op grond van voornoemde verklaringen van oordeel dat verdachte met een mes [slachtoffer 1] heeft aangevallen en daarbij in ieder geval eenmaal een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van de buik van [slachtoffer 1] , zoals [slachtoffer 2] verklaart. Verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat hij in een shockbeweging zijn arm enkel met het mes naar achteren heeft bewogen. De rechtbank oordeelt dat het zo kan zijn dat verdachte een beweging met zijn arm met het mes naar achteren heeft gemaakt, maar gaat er ook vanuit dat dit het begin is geweest van de eerdergenoemde stekende beweging, die [slachtoffer 2] beschrijft. Dat past bij de verklaring van [getuige] dat verdachte [slachtoffer 1] heeft aangevallen. De rechtbank ziet in de afgelegde verklaringen niet zodanige tegenstrijdigheden dat deze niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Naar het oordeel van de rechtbank bestond door met een mes op iemand af te rennen en aan te vallen en het met kracht slaan met een tafel tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De gedragingen van verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op dat gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat een geestelijke stoornis slechts dan aan bewezenverklaring van opzet in de weg kan staan als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen iedere inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan zou hebben ontbroken en sluit hierbij aan bij de uitspraak van de Hoge Raad (14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3226). Daarvan is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake. In onderhavig geval heeft verdachte verklaard dat zijn intentie was om zijn huisbaas bang te maken met een mes, niet om hem te verwonden. De rechtbank stelt echter vast dat het feitelijk anders is gelopen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte zich bewust was van zijn intentie om angst aan te jagen met het mes, er bij verdachte geen sprake was van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] .
Feit 2 (mishandeling [slachtoffer 2] )
Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat op 2 juni 2023 een worsteling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] . Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] volgt dat [slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen. [slachtoffer 2] en [getuige] verklaren dat er sprake was van een aanval van verdachte richting [slachtoffer 1] , waar [slachtoffer 2] tussengekomen is. De rechtbank stelt vast dat er bij [slachtoffer 2] een steek- dan wel snijwond in de oksel en aan twee vingers is toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet objectief vast te stellen door welke beweging dit letsel is ontstaan. Onder voornoemde omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat de wonden zijn ontstaan door de poging van [slachtoffer 2] om verdachte tegen te houden. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Verdachte wordt dan ook van het primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vrijgesproken. Wel acht de rechtbank de onder 2 subsidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1, primair
op 2 juni 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een mes,
met voornoemd opzet
- een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van de buik van die [slachtoffer 1] , en
- met kracht met een tafel tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2, subsidiair
op 2 juni 2023 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld
door die [slachtoffer 2] met een mes, te steken en/of snijden in de oksel.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5.2.
Strafbaarheid van verdachte
5.2.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht verdachte op grond van de rapportages van de gedragsdeskundigen volledig ontoerekeningsvatbaar en vordert verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van het pro-justitiarapport van [psychiater] van 12 februari 2024 en het reclasseringsadvies van 14 november 2025. Uit het pro-justitiarapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het schizofreniespectrum, meer specifiek schizofrenie waarbij sprake is van wanen en hallucinaties. [psychiater] stelt dat verdachte in de periode rondom het tenlastegelegde volledig de grip op de realiteit verloren had en dat hij psychotisch was ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Daarnaast is er een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld welke aanwezig was ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde in zijn geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige ten aanzien van de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot de aan hem tenlastegelegde feiten over. Zij acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 25.483,03 voor feit 2.
De rechtbank zal de benadeelde partij, gelet op artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en ook geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:poging zware mishandeling;
feit 2:mishandeling;
- verklaart
verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 2
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter,
en mr. K. Verschueren en mr. N. van der Hoeven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 27 januari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, - (telkens) met
voornoemd opzet - stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de
richting van de buik, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] , en/of
- ( met kracht) met een tafel, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen het
hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats]
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door:
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende en/of snijdende
bewegingen te maken in de richting van de buik, althans het (boven)lichaam, van
die [slachtoffer 1] , en/of
- ( met kracht) met een tafel, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen het
hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan/gooien;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, - (telkens) met voornoemd
opzet - heeft gestoken en/of gesneden in de oksel, althans het (boven)lichaam, van
die [slachtoffer 2] en/of stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting
van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 juni 2023 te [plaats]
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp
en/of puntig voorwerp, te steken en/of snijden in de oksel, althans het
(boven)lichaam, en/of stekende en/of snijdende bewegingen te maken in de
richting van het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] ;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )