ECLI:NL:RBZWB:2026:4539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/02/441946 / FA RK 25-5888
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:295 BWArt. 1:299 BWArtikel 1 lid 1 sub a Verordening (EU) 2019/1111Artikel 11 lid 1 Verordening (EU) 2019/1111Artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming Stichting Nidos tot voogdes over minderjarige vreemdeling

De minderjarige, geboren in Somalië in 2009, is op 31 augustus 2025 in Nederland aangekomen en verblijft momenteel in een opvanggezin. Zij heeft zich gemeld bij de vreemdelingendienst voor gezinshereniging met haar zus. De ouders van de minderjarige zijn overleden, en er is geen voogd aanwezig die het gezag uitoefent.

De gecertificeerde instelling Stichting Nidos heeft verzocht om benoeming tot voogdes over de minderjarige. De rechtbank heeft ambtshalve de internationale bevoegdheid vastgesteld op grond van de Brussel II-Verordening, aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld vanwege haar korte verblijf in Nederland.

Nederlands recht is van toepassing op het verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en dat er geen voogd is. Gezien de bereidverklaring van Stichting Nidos en de akkoordverklaring van de minderjarige, wordt Stichting Nidos benoemd tot voogdes. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Stichting Nidos wordt benoemd tot voogdes over de minderjarige en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens : C/02/441946 / FA RK 25-5888
Datum uitspraak : 24 april 2026
Beschikking betreffende voorziening voogdij
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING NIDOS,
gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
volgens eigen opgave geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2009,
thans verblijvende op het adres [verblijfadres] ,
hierna te noemen de minderjarige.
1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van en ingekomen op de griffie op
17 november 2025;
- de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige van 17 november 2025;
- de akkoordverklaring van de minderjarige van 17 januari 2025;
- de oproepbrief van de minderjarige van 4 maart 2026.

2.De feiten

2.1
De minderjarige is naar eigen zeggen op 31 augustus 2025 in Nederland aangekomen. Zij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld om in het kader van gezinshereniging (met haar zus) voor langere tijd in Nederland te verblijven. Op dit moment verblijft zij in een opvanggezin op bovengenoemd adres. De naam van haar moeder is [de moeder] en de naam van haar vader [de vader] . Beide ouders zijn volgens de minderjarige overleden.
2.2
De minderjarige heeft in haar reactiebrief aangegeven dat zij een gesprek wil met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op 1 april 2026 met de minderjarige gesproken.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid
4.1
Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
4.2
Uit de stukken van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van Pro de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), (hierna: de Brussel II-
terVerordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-
terVerordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en redeneert daartoe als volgt.
4.3
Het begrip gewone verblijfplaats is meerdere malen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals dit hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-
bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-
terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie bijvoorbeeld de arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).
4.4
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede van de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie bijvoorbeeld de arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).
4.5
Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie bijvoorbeeld het arrest 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).
4.6
Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure woonde zij pas een paar maanden in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland.
4.7
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel Pro II-
terVerordening, nu de minderjarige zich in Nederland en binnen het rechtsgebied van de rechtbank bevindt.
Toepasselijk recht
4.8
Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de
lex fori,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.
Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken
4.9
Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en er nog geen voogd is. Dit betekent dat niemand op dit moment het gezag over de minderjarige uitoefent. Gezien het bepaalde in artikel 1:295 BW Pro, dient in het gezag te worden voorzien. Op grond van artikel 1:299 BW Pro kan de rechtbank op verzoek van (onder meer) de GI een voogdes over een minderjarige benoemen.
4.1
Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige. Volledigheidshalve zij overwogen dat de rechtbank uit het zogenoemde kindgesprek afleidt dat de minderjarige volhardt in de voormelde akkoordverklaring.
4.11
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
benoemt over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2009, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.