Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4574

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
BRE 24/8340
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde niet-woning en proceskostenvergoeding

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een niet-woning per 1 januari 2023, vastgesteld op €5.087.000, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Tijdens de zitting op 13 april 2026 werd duidelijk dat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil was, maar belanghebbende vorderde een proceskostenvergoeding omdat de onderbouwing van de waarde, met name huurwaarde en kapitalisatiefactor, niet tijdig was verstrekt. Volgens belanghebbende was daarmee artikel 40, tweede lid, Wet WOZ geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase via de portal een taxatieverslag met relevante gegevens had verstrekt. Op grond van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ is alleen verplicht om afschriften te verstrekken van gegevens die reeds bestonden ten tijde van de beschikking. Er is geen algemene verplichting tot het geven van uitleg of nadere onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat geen schending van artikel 40 Wet Pro WOZ had plaatsgevonden.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten en griffier L.C.J.A. Miseré en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8340 WOZNW

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan JUIST),
en
De heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 5.087.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Roosendaal voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] en namens de heffingsambtenaar [naam 2] , [naam 3] en mr. S. Hunte.

Beoordeling door de rechtbank

2. Naar aanleiding van de in de beroepsfase door de heffingsambtenaar aangeleverde onderbouwing is de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil. Belanghebbende stelt echter dat een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, omdat de onderbouwing in een eerder stadium had moeten worden verstrekt. Doordat de informatie ontbrak op grond waarvan de waarde op juistheid kon worden gecontroleerd, is belanghebbende gedwongen tot het instellen van beroep. Belanghebbende wijst in dit kader met name op de onderbouwing van de gehanteerde huurwaarde en de kapitalisatiefactor. Hiermee is volgens belanghebbende sprake van een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
2.1.
De heffingsambtenaar stelt in de bezwaarfase via de portal een taxatieverslag ter beschikking te hebben gesteld met daarin de koop- en huurtransacties en de KOUDV-factoren.
1.4.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet worden verstrekt. [1]
1.5.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 27 februari 2026 [2] volgt dat de toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zich beperkt tot gegevens die zijn opgenomen in stukken die reeds bestonden ten tijde van het vaststellen van de beschikking. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Niet gebleken is dat er nog andere gegevens waren die niet zijn overgelegd door de heffingsambtenaar maar wel ten grondslag lagen aan de vaststelling van de WOZ-waarde. Voor het verstrekken van een nadere onderbouwing van de huurwaarde of een berekening van kapitalisatiefactor bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting. Dit betekent dat geen sprake is van een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ.

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
2.Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297.