ECLI:NL:RBZWB:2026:4574
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde niet-woning en proceskostenvergoeding
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een niet-woning per 1 januari 2023, vastgesteld op €5.087.000, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Tijdens de zitting op 13 april 2026 werd duidelijk dat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil was, maar belanghebbende vorderde een proceskostenvergoeding omdat de onderbouwing van de waarde, met name huurwaarde en kapitalisatiefactor, niet tijdig was verstrekt. Volgens belanghebbende was daarmee artikel 40, tweede lid, Wet WOZ geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase via de portal een taxatieverslag met relevante gegevens had verstrekt. Op grond van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ is alleen verplicht om afschriften te verstrekken van gegevens die reeds bestonden ten tijde van de beschikking. Er is geen algemene verplichting tot het geven van uitleg of nadere onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat geen schending van artikel 40 Wet Pro WOZ had plaatsgevonden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten en griffier L.C.J.A. Miseré en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen.