Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
.Verder heeft belanghebbende geen recht op een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een opslagpand met een gebruiksoppervlakte van 6.911 m² en een perceel van 2.320 m², gelegen aan een adres te Roosendaal. De heffingsambtenaar stelde de waarde op 1 januari 2024 vast op € 2.711.000, welke na bezwaar werd verlaagd tot € 1.654.000. Belanghebbende verzocht om een nog lagere waarde en een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaardekapitalisatiemethode, inclusief de kapitalisatiefactor van 9,0 en de gebruikte referentieobjecten, voldoende onderbouwd en vergelijkbaar waren. De waarde werd daarom niet te hoog geacht. Daarnaast werd het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding afgewezen omdat de gemachtigde van belanghebbende op basis van no cure no pay werkt en de vergoeding aan de gemachtigde wordt afgedragen, wat geen bijzonder geval vormt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag, en wees het griffierecht en een hogere proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten en griffier L.C.J.A. Miseré op 22 mei 2026 te Breda.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de kostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde en aanslag blijven gehandhaafd.