ECLI:NL:RBZWB:2026:460

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442786 / JE RK 25-2192
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onstabiele thuissituatie moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De moeder is dakloos, heeft een onstabiele levenssituatie en kampt met middelengebruik en strafbare feiten. De minderjarige verblijft sinds juli 2022 in een perspectiefbiedend pleeggezin waar zij zich goed ontwikkelt.

De kinderrechter constateert dat de moeder haar leven niet op de rit heeft en dat de omgang tussen moeder en kind onstabiel is. De moeder kan niet altijd de omgangsregeling nakomen en belast de minderjarige emotioneel. De traumatherapie van de minderjarige is nog niet afgerond en de moeder heeft nog geen significante vooruitgang geboekt in haar persoonlijke problematiek.

Gezien de ernst en complexiteit van de situatie acht de rechtbank verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk voor de duur van een jaar. De continuering van de pleegplaatsing wordt als perspectiefbiedend gezien en het belang van de minderjarige staat voorop. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat de maatregelen direct kunnen worden gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442786 / JE RK 25-2192
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
met een briefadres in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. van Vliet te Breda,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 december 2025;
- het stelbericht van mr. Van Vliet van 18 december 2025.
1.2
Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de pleegmoeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] verblijft sinds 23 juli 2022 in het huidige (perspectief biedende) pleeggezin.
2.3
Bij beschikking van 19 januari 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld en is er tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 19 januari 2023 tot 19 januari 2024. Deze maatregelen zijn sindsdien steeds verlengd.
2.4
Laatstelijk, bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 12 oktober 2025 tot 12 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2
Tevens verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar.
3.3
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is in haar jonge leven veel blootgesteld aan instabiliteit en ingrijpende, onvoorspelbare en onveilige situaties. Zo is zij getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en middelengebruik van de moeder. Sinds 23 juli 2022 verblijft [minderjarige] in haar huidige (perspectiefbiedende) pleeggezin. Zij heeft een goede hechtingsrelatie met de pleegmoeder. [minderjarige] is aangemeld bij Sterk Huis voor traumatherapie. In dat kader is er sinds begin oktober 2025 een start gemaakt met het aanpakken van preverbaal trauma door middel van storytelling.
4.2
[minderjarige] heeft eens per week begeleide omgang met de moeder voor de duur van anderhalf uur. De moeder komt deze omgangsregeling na, al lukt het haar niet om altijd op tijd te zijn en er zijn sinds oktober 2025 drie omgangsmomenten niet doorgegaan. Dit doet veel met [minderjarige] . Ook wordt gezien dat de moeder een beroep blijft doen op de loyaliteit van [minderjarige] . Een uitbereiding van de omgang is op dit moment niet mogelijk, gelet op het belasten van [minderjarige] door de moeder alsook door het middelengebruik van de moeder.
4.3
Het leven van de moeder is verre van stabiel. Zij is in juli 2025 haar woning uitgezet en verblijft nu her en der voor steeds een kortdurende periode bij kennissen. De GI weet niet waar de moeder precies verblijft. De GI ziet dat de moeder moeite heeft met het organiseren en plannen van nieuwe huisvesting. Geboden hulp wijst zij af. Daarnaast is een punt van zorg dat de moeder de afgelopen periode meermaals is aangehouden voor rijden met een verlopen rijbewijs en onder invloed van diverse middelen. Ook is de moeder aangehouden vanwege een winkeldiefstal. In de afgelopen maanden zijn er aldus meerdere incidenten voorgevallen waaruit blijkt dat de moeder haar leven niet op de rit kan krijgen. Bij de moeder is weliswaar hulpverlening betrokken, zoals Fivoor, maar van een behandeling of van verslavingszorg is geen sprake. De onstabiele (leef)situatie van de moeder is hier debet aan. Over haar middelengebruik is de moeder niet transparant.
4.4
Een verlenging van de maatregelen is noodzakelijk. In de komende periode zal de GI bekijken in hoeverre de moeder in staat is om haar gezag over [minderjarige] uit te oefenen en of zij zich aan afspraken kan houden. Daarnaast moet de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin gewaarborgd blijven en moet er verder worden gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. Vooralsnog is alleen het doel dat [minderjarige] duidelijkheid heeft over haar perspectief behaald.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat het op dit moment slecht met de moeder gaat. Zij zit in een dieptepunt. Positief is dat de aanvraag voor een uitkering is goedgekeurd en zij daar een voorschot op gekregen heeft. Daarnaast heeft de moeder via de huisarts gezorgd voor een verwijzing naar een kliniek. De moeder wil namelijk stoppen met het gebruik van medicatie. Verder hoopt de moeder in aanmerking te komen voor een begeleid wonen traject met daarbij therapie vanuit GGZ. Op dit moment is de moeder dakloos en staat zij lichamelijk en geestelijk onder grote stress. De moeder hoopt met haar uitkering, en in de toekomst met een vaste plek, er meer voor [minderjarige] te kunnen zijn en dat zij kan laten zien dat zij in het contact met [minderjarige] en de GI voorspelbaar en betrouwbaar kan zijn. De moeder concludeert dat zij zich kan verenigen met het verzoek, al hoopt zij wel door de GI meer geïnformeerd te kunnen worden over hoe het met [minderjarige] gaat. Zij zou met enige regelmaat foto’s van [minderjarige] willen ontvangen.
5.2
De pleegmoeder brengt, samengevat, naar voren dat zij akkoord is met het verzoek. Zij merkt dat [minderjarige] steeds comfortabeler wordt met de situatie en dat zij deze accepteert. Op school gaat het overwegend goed met haar, al wordt er ook gezien dat zij veel in gedachten en snel afgeleid is. Hiervoor is aandacht bij therapie van Sterk Huis. [minderjarige] ontwikkelt zich verder goed. Het contact tussen de pleegmoeder en de jeugdbeschermer verloopt prettig.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat niet ter discussie staat dat de moeder op dit moment haar leven niet op de rit heeft. Zij is dakloos en heeft geen vaste verblijfplaats. Daarnaast zijn er zorgen over het middelengebruik van de moeder, waarover zij niet transparant is, en het plegen van strafbare feiten, zoals een winkeldiefstal en rijden onder invloed zonder geldig rijbewijs. Tijdens de zitting beaamt de moeder dat zij gebukt gaat onder grote stress, waarvan zij lichamelijk en mentaal veel last heeft.
6.6
Tevens is gebleken dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder eveneens onstabiel is. Doordat de moeder in beslag wordt genomen door haar persoonlijke problematiek, lukt het haar niet altijd om de omgangsregeling na te komen. Soms komt zij te laat of gaan omgangsmomenten niet door. Hoewel de omgang over het algemeen goed verloopt, wordt ook gezien dat de moeder [minderjarige] blijft belasten en zij de loyaliteit van [minderjarige] op de proef stelt. Het is daarmee in de afgelopen periode niet gelukt om een stabiele omgang tussen [minderjarige] en de moeder te creëren. Het lukt de moeder niet om zich voor een lange periode stabiel en betrouwbaar voor [minderjarige] op te stellen. Het doel dat er sprake is van een onbelast contact tussen [minderjarige] en de moeder is niet behaald.
6.7
Daarnaast heeft de kinderrechter zich ervan vergewist dat ook de andere bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet zijn behaald. Hoewel [minderjarige] duidelijkheid heeft over haar perspectief en haar verblijf bij het pleeggezin, hetgeen de moeder ook accepteert, is de traumatherapie van [minderjarige] niet afgerond en is het de moeder niet gelukt om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De kinderrechter merkt hier op dat zij ziet dat de moeder de eerste positieve stappen heeft gezet, maar ook dat er nog een lange weg te gaan is.
6.8
Het voorgaande leidt ertoe dat aan de wettelijke criteria voor beide maatregelen is voldaan. [minderjarige] wordt nog altijd in haar ontwikkeling bedreigd. Zij kan om verschillende redenen niet op haar moeder rekenen. In de afgelopen periode is gebleken dat de moeder niet in staat is om voor zichzelf goede beslissingen te nemen. Er zijn voor haar op dit moment simpelweg te veel stressoren waardoor van stabiliteit geen sprake is.
6.9
De kinderrechter kan niet anders dan de maatregelen verlengen. Hiermee wordt langere betrokkenheid van en regievoering door de GI gecontinueerd en blijft de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, waar zij zich goed ontwikkelt, gewaarborgd. De door de GI verzochte periode acht de kinderrechter gezien de complexiteit van de problematiek passend. In de komende periode verwacht de kinderrechter dat er verder zal worden gewerkt aan de volgende doelen:
- de moeder werkt aan haar persoonlijke problematiek;
- [minderjarige] krijgt traumabehandeling;
- [minderjarige] heeft een positief en onbelast contact met haar moeder.
6.1
De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de moeder en de pleegmoeder zich niet tegen het verzoek verzetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
Ten slotte
6.12
De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de situatie van de moeder zich enigszins
zal stabiliseren en dat zij in haar eigen basisbehoeften kan voorzien. Dit zou namelijk de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , de betrouwbaarheid en de voorspelbaarheid van de moeder ten goede komen en dat is in het belang van [minderjarige] .
6.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 januari 2026 tot 12 januari 2027;
7.2
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 januari 2026 tot 12 januari 2027;
7.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.