ECLI:NL:RBZWB:2026:461

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442705 / JE RK 25-2164 en C/02/442711 / JE RK 25-2167
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in complexe gezinssituatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, die betrokken zijn bij een complexe gezinssituatie met huiselijk geweld en kindermishandeling.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij de plaatsing van een minderjarige in een gezinshuis werd gewijzigd van een verlenging naar een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De minderjarigen kampen met diverse gedrags- en ontwikkelingsproblemen, waaronder autismespectrumstoornis, ADHD en hechtingsproblematiek.

De kinderrechter constateerde dat de hulpverlening nog niet van de grond is gekomen en dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Beide ouders stemmen in met de verzoeken, maar er is sprake van onmacht en verschil in visie. De rechtbank verlengt daarom de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, met onmiddellijke uitvoerbaarheid, om de continuïteit van de zorg en hulpverlening te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor een jaar en verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/442705 / JE RK 25-2164 en C/02/442711 / JE RK 25-2167
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie [plaats 1] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder 1],
hierna te noemen: [moeder 1] ,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam,
[moeder 2],
hierna te noemen: [moeder 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H.J.C. de Waard te Zwijndrecht.
Alleen belanghebbende ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2] :
[de grootmoeder],
hierna te noemen: de grootmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
Zaaknummer: C/02/442705 / JE RK 25-2164
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2025;
- het stelbericht van mr. Ooms van 19 december 2025;
- het stelbericht van mr. De Waard van 24 december 2025;
- het e-mailbericht van de [moeder 2] van 5 januari 2026, met het bericht dat [minderjarige 3] niet naar het kindgesprek komt en hij ook geen brief zal schrijven;
- het bericht met bijlagen van mr. De Waard van 7 januari 2026, betreffende de afmelding voor de zitting en het standpunt van [moeder 2] en de brief van [minderjarige 1] .
Zaaknummer: C/02/442711 / JE RK 25-2167
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2025;
- het stelbericht van mr. Ooms van 19 december 2025;
- het stelbericht van mr. De Waard van 24 december 2025;
- het bericht van mr. Ooms van 6 januari 2026 met het verzoek om digitaal bij de zitting aanwezig te mogen zijn;
- het bericht met bijlagen van mr. De Waard van 7 januari 2026, betreffende de afmelding voor de zitting en het standpunt van [moeder 2] en de brief van [minderjarige 1] .
1.2
Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de nauwe samenhang tussen de verzoeken, de zaken gelijktijdig behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- [moeder 1] , bijgestaan door haar advocaat, die digitaal via MS Teams bij de zitting aanwezig was;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- de grootmoeder.
1.3
Met kennisgeving vooraf zijn [moeder 2] en haar advocaat niet bij de zitting aanwezig. Namens [moeder 2] is schriftelijk een standpunt ingenomen.
1.4
De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Met kennisgeving vooraf heeft [moeder 2] gemeld dat [minderjarige 3] niet naar het kindgesprek zal komen en hij de kinderrechter geen brief zal schrijven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de kinderrechter ieder een eigen brief geschreven. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat zij haar hebben geschreven. De aanwezigen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1
Beide moeders zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.2
Op dit moment verblijft [minderjarige 1] in het [gezinshuis] te [plaats 1] .
2.3
Sinds juni 2024 woont [minderjarige 2] bij de grootouders (zijde [moeder 1] ).
2.4
Sinds maart 2024 woont [minderjarige 3] bij [moeder 2] .
2.5
Laatstelijk, bij beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2025 heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 januari 2025 tot 13 januari 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 13 januari 2025 tot 13 januari 2026.

3.De verzoeken

Zaaknummer: C/02/442705 / JE RK 25-2164
3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Zaaknummer: C/02/442711 / JE RK 25-2167
3.3
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar.
3.4
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5
Tijdens de mondelinge behandeling wijzigt de GI haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] , in die zin dat de GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis).

4.Het standpunt van de GI

4.1
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De minderjarigen zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. In de gezinssituatie zoals deze was, hebben de minderjarigen in veel spanning en onrust geleefd. De minderjarigen hebben ieder hun kind-eigenproblematiek zoals hechtings- en gedragsproblemen.
4.2
Bij [minderjarige 1] is sprake van een autismespectrumstoornis, zij toont sterk zelfbepalend gedrag, kan fysiek agressief zijn en zij respecteert ouderlijk gezag niet. Recent, in september 2025 heeft er een escalatie plaatsgevonden bij [moeder 1] thuis waarbij [minderjarige 1] een deur heeft ingeschopt en ook [moeder 1] heeft geschopt. [minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis waar zij het goed doet. [minderjarige 1] gaat naar school en stelt zich in het gezinshuis behulpzaam op. In de komende periode wil de GI onderzoeken welke mogelijkheden er voor [minderjarige 1] zijn binnen haar opgroeiperspectief, zoals bijvoorbeeld kamertraining.
4.3
[minderjarige 2] vertoont symptomen van ADHD en ASS. Zij laat sterk internaliserend gedrag zien. Ook zij toont sterk zelfbepalend gedrag, kan fysiek agressief zijn en respecteert het ouderlijk gezag niet. School heeft zorgen over [minderjarige 2] . Zij heeft weinig aansluiting met klasgenootjes en laat in toenemende mate grensoverschrijdend en onwenselijk gedrag zien. Ook wordt gezien dat zij brutaal en respectloos is. [minderjarige 2] ziet er regelmatig onverzorgd uit. Door [moeder 2] is [minderjarige 2] fysiek mishandeld.
4.4
[minderjarige 3] volgt speciaal onderwijs. Hij heeft een IQ van 55 en zal waarschijnlijk nooit zelfstandig kunnen wonen. [minderjarige 3] praat niet, maar fluistert. Hij praat alleen met mensen die hij vertrouwt. Met andere klasgenootjes heeft [minderjarige 3] weinig aansluiting. Ten aanzien van [minderjarige 3] verschillen de ouders van visie over wat hij nodig heeft.
4.5
De minderjarigen volgen ieder hun individuele hulpverleningstraject. Dit vraagt veel van hen. Ook de ouders krijgen hulpverlening. De GI acht het van belang dat de ouders gaan kijken naar wat hun eigen rol is in het gedrag van de minderjarigen. Aan hen beide wordt psycho-educatie geboden. Met de minderjarigen is er op verschillende momenten omgang. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben uitgesproken elkaar vaker te willen zien, moet de GI hierin nog uitzoeken wat haalbaar is. De onderlinge strijd tussen hen kan hoog oplopen, wat kan resulteren in scheldbuien en fysieke agressie. Op dit moment is duidelijk dat de ouders over onvoldoende opvoedkundige handvatten beschikken om de omgang uit te bereiden.
4.6
Sinds augustus 2025 is de huidige jeugdbeschermer betrokken. Het heeft lang geduurd voor de zaak vanuit het Provinciaal Instroom Team (PIT) aan een vaste jeugdbeschermer is gekoppeld. In de komende periode zal verder gewerkt worden aan de gestelde doelen. De minderjarigen zijn aangemeld voor individuele hulpverlening in het kader van hun hechtingsproblematiek en het verwerken van trauma. Aan de hand van de evaluaties en uitkomsten van de hulpverlening zal de GI een inschatting maken wanneer er verdere opvoedkundige en systemische hulpverlening zal worden ingezet. De GI acht het niet in het belang van de minderjarigen om die hulpverlening en hun individuele hulpverlening gelijktijdig te laten starten. De GI acht het niet mogelijk om het gezin over te dragen naar het vrijwillig kader. De ouders staan niet op één lijn wat betreft de afspraken en de hulpverlening. Bovendien willen zij dat de minderjarigen weer bij hen thuis komen wonen, hetgeen met uitzondering van [minderjarige 3] op dit moment niet mogelijk is.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1
Door en namens [moeder 1] is, samengevat, het volgende aangevoerd. Het is jammer dat het inzetten van hulpverlening zo lang heeft geduurd. Ten aanzien van [minderjarige 1] stemt [moeder 1] in met de verzoeken. Het is van belang dat [minderjarige 1] in haar huidige gezinshuis geplaatst blijft. Een nieuwe wisseling is voor [minderjarige 1] niet goed gelet op haar huidige toestand. Ten aanzien van [minderjarige 2] geldt dat [moeder 1] haar het liefste bij haar thuis zou hebben, met gerichte therapie. Dat was de insteek, maar is tot op heden niet gelukt. [moeder 1] begrijpt dat een acute plaatsing bij haar niet kan. Zij hoopt dat het contact stapsgewijs opgebouwd kan worden. Zij verzet zich niet tegen de verzoeken. Ten aanzien van [minderjarige 3] geeft [moeder 1] te kennen dat zij al een jaar strijdt om uitbereiding van het contact. Er is weliswaar sprake van een omgangsregeling, maar het grootste deel van de tijd slaapt [minderjarige 3] . Hierdoor krijgt [moeder 1] geen gelegenheid om een band met hem op te bouwen. Ook ten aanzien van [minderjarige 3] is de moeder akkoord met de verzoeken. Tot slot geeft zij aan dat voor alle drie de minderjarigen geldt dat het belangrijk is dat zij therapie krijgen, hun problemen worden aangepakt én er wordt gekeken dat de minderjarigen ook onderling genoeg tijd met elkaar krijgen.
5.2
Namens [moeder 2] heeft mr. De Waard de kinderrechter schriftelijk bericht. Samengevat voert zij aan dat [moeder 2] kan instemmen met de verzoeken. In de afgelopen periode is er niet veel gebeurd en zijn er drie jeugdbeschermers betrokken geweest. [moeder 2] hoopt dat de nieuwe jeugdbeschermer blijvend is en de nodige therapie kan worden opgestart. Met [minderjarige 3] gaat het goed. Er lijkt verbetering te zitten in de beheersing van zijn boosheid. [moeder 2] herkent zich er niet in dat [minderjarige 1] brutaal zou zijn. Zij zou graag zien dat [minderjarige 1] weer bij haar thuis komt wonen, maar begrijpt dat daar wellicht in de komende periode aan gewerkt gaat worden zodra duidelijk is waar het perspectief van [minderjarige 1] ligt. Ten aanzien van [minderjarige 2] hoopt [moeder 2] op een vaste contactregeling.
5.3
De grootmoeder brengt, samengevat, naar voren dat zij achter het verzoek staat. [minderjarige 2] kan langer bij haar blijven. [minderjarige 2] geeft aan dat zij vaker naar [moeder 1] wil zijn. Daar heeft zij ook haar school. Volgens de grootmoeder wil [minderjarige 2] graag terug naar [moeder 1] . Tegelijkertijd vindt de grootmoeder het ook belangrijk dat [minderjarige 2] een band opbouwt met [moeder 2] .

6.De beoordeling

Zaaknummer: C/02/442705 / JE RK 25-2164
Wat zegt de wet?
6.1
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3
De kinderrechter kan hier kort zijn. De minderjarigen worden nog altijd ernstig in
hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben in hun leven veel meegemaakt en hebben langere tijd verbleven in een spanningsvolle gezinssituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld en kindermishandeling. De minderjarigen hebben ieder te kampen met kind-eigenproblemen, waarbij sprake is van hechtingsproblematiek en gedragsproblemen.
6.4
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het de GI de afgelopen periode niet is gelukt om te werken aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. Waar eerder het PIT betrokken was, is er inmiddels een vaste jeugdbeschermer aan het gezin toegewezen. In de tussentijd is hulpverlening voor de minderjarigen nog niet van de grond gekomen, waardoor de zorgelijke situatie feitelijk gelijk is gebleven.
6.5
Van de GI begrijpt de kinderrechter dat in de komende periode voortvarend ingezet zal worden op de benodigde individuele hulpverlening voor de minderjarigen. In dat kader zijn de eerste stappen al gezet. De kinderrechter volgt de GI dat hulpverlening moet uitwijzen wat het opvoedperspectief van de minderjarigen is. De kinderrechter begrijpt ook dat na evaluatie pas kan worden geconcludeerd wat er verder nodig is aan opvoedkundige en systemische hulpverlening. Evenals de GI verwacht de kinderrechter dat een gelijktijdige aanvang van deze hulpverlening te veel van de minderjarigen zal vragen.
6.6
Hoewel beide ouders instemmen met het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen, acht de kinderrechter betrokkenheid van en regievoering door de GI noodzakelijk. Immers, de ouders zitten niet altijd op dezelfde lijn en zij kunnen van mening verschillen wat er voor de minderjarigen nodig is. Bovendien is het een complexe situatie waarin de minderjarigen allemaal op een andere plek wonen. De kinderrechter ziet en hoort dat beide ouders het beste met de minderjarigen voor hebben, maar dat er bij hen ook sprake is van onmacht. Een overdracht naar het vrijwillig kader acht de kinderrechter dan ook niet aan de orde.
6.7
Het voorgaande betekent dat de kinderrechter het verzoek zal toewijzen en de ondertoezichtstelling van de minderjarigen zal verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de ouders instemmen met het verzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van de minderjarigen is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
Zaaknummer: C/02/442711 / JE RK 25-2167
Wat zegt de wet?
6.9
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.1
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.11
Ook is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in het belang van hun verzorging en opvoeding, met een machtiging tot uithuisplaatsing elders moeten verblijven. Belangrijk daarbij is dat hun huidige plaatsing wordt voortgezet en zij vanuit die plaatsing kunnen toekomen aan hulpverlening en verdere ontwikkeling.
6.12
De rechtbank hanteert sinds 1 juli 2025 een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] geplaatst zal blijven in haar huidige gezinshuis. Om dit te bewerkstelligen heeft de GI ter zitting het verzoek gewijzigd en verzocht om een machtiging voor [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening. Voor [minderjarige 2] geldt dat haar plaatsing bij de grootouders gecontinueerd wordt, middels een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.
6.13
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het gewijzigde verzoek toewijzen, in die zin dat zij ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening zal verlenen en zij ten aanzien van [minderjarige 2] de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg zal verlengen, beiden voor de verzochte duur.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.14
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
6.15
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
Zaaknummer: C/02/442705 / JE RK 25-2164:
7.1
verlengt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027;
Zaaknummer C/02/442711 / JE RK 25-2167:
7.2
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027;
7.3
verlengt, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.