ECLI:NL:RBZWB:2026:464

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442648 / JE RK 25-2152
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens voortzetting hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen. De minderjarigen wonen bij hun moeder en zijn onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, mede door huiselijk geweld en een onrustige opvoedsituatie.

In de afgelopen periode zijn positieve stappen gezet: begeleide contactmomenten met de vader verlopen zonder zorgen, er is een concept ouderschapsplan opgesteld en de minderjarigen volgen individuele therapie met goede resultaten. De ouders stemmen in met het gewijzigde verzoek om verlenging van drie maanden.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria voor verlenging is voldaan en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De ondertoezichtstelling wordt verlengd van 27 januari 2026 tot 27 april 2026 om de hulpverlening verder af te ronden en de Raad voor de Kinderbescherming de mogelijkheid te geven te toetsen of beëindiging mogelijk is.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met drie maanden tot 27 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442648 / JE RK 25-2152
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] (Saoedi-Arabië),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] (Turkije),
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 december 2025;
  • het stelbericht van mr. Broekman-de Feijter van 12 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. Cox van 12 januari 2026;
  • de brief met bijlage van de GI van 21 januari 2026, betreffende een wijziging van het verzoek alsmede het ouderschapsplan;
  • het bericht van mr. Broekman-de Feijter van 21 januari 2026;
  • de brief van mr. Cox van 21 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 22 januari 2026.
2.
De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 27 januari 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 januari 2025 tot 27 januari 2026.
2.4.
Voor zover hier van belang, heeft de kinderrechter bij tussenbeschikking van 25 februari 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/424554 / FA RK 24-3234) een voorlopige contactregeling bepaald waarbij de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn op het hebben van contact met elkaar één keer in de twee weken gedurende anderhalf uur in [plaats 2] onder begeleiding van een hulpverlenende instantie, waarbij onder regie van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling wordt bepaald of de begeleide contacten op enig moment in de omgeving van de vader kunnen plaatsvinden, of de contacten onbegeleid kunnen gaan plaatsvinden en of tot uitbreiding van deze contacten kan worden gekomen. De rechtbank heeft de zaak voor het overige aangehouden in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
Bij brief van 21 januari 2026 wijzigt de GI het verzoek in die zin dat wordt verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van drie maanden.

4.Het standpunt van de ouders

4.1.
Bij brief van 21 januari 2026 wordt namens de moeder bericht dat zij het eens is met het gewijzigde verzoek van de GI. In de afgelopen weken is er op verschillende momenten overleg gevoerd met de jeugdbeschermer en tussen de ouders en betrokken advocaten. Bij De GezinsManager hebben de ouders een concept ouderschapsplan opgesteld. De moeder gaat ervan uit dat het de ouders lukt om het ouderschapsplan verder af te ronden en te ondertekenen.
4.2.
Bij bericht van 21 januari 2026 wordt namen de vader gemeld dat hij instemt met het gewijzigde verzoek van de GI om de lopende hulpverlening verder af te kunnen ronden.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de berichtgeving van de GI van 21 januari 2026 volgt dat het verzoek wordt gewijzigd omdat er in de afgelopen periode verschillende positieve ontwikkelingen zijn geweest. In navolging op dat bericht laten de raadslieden van de ouders de kinderrechter weten, dat zij zich niet verzetten tegen het gewijzigde verzoek van de GI en dat de zaak schriftelijk en zonder zitting kan worden afgedaan. Dit betekent dat de kinderrechter de zaak op grond van de stukken schriftelijk zal afdoen.
Wat zegt de wet?
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Op basis van de overgelegde stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria als genoemd in artikel 1:260 lid 1 BW Pro.
5.5.
De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat er eerder forse zorgen waren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zijn in het verleden getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Er was daarnaast sprake van een zeer onrustige opvoedsituatie door onder andere een verhuizing naar een opvanglocatie. Tevens bestonden er zorgen over de opvoedsituatie van de vader en was er tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen sprake van contact. De verhouding tussen de ouders was verstoord en zij konden niet op een goede manier met elkaar communiceren. Het lukte hen niet om afspraken te maken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.6.
In de afgelopen periode zijn er tijdens begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen zorgen gezien. De vader kan goed bij hen aansluiten en kan inspelen op wat er gebeurt. Ook na het contact met de vader worden er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen gedragsveranderingen gezien. Wel wordt waargenomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk last hebben van trauma, echter op het gebied van emotie-regulatie is alles in orde.
5.7.
In de afgelopen periode heeft het gezin positieve stappen gezet. Hulpverlening bij De GezinsManager, zoals ouderschapsbemiddeling, zal positief worden afgerond. Er is een concept ouderschapsplan opgesteld, de ouders houden zich aan de afspraken rondom het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder laat zien er vertrouwen in te hebben dat zij bij de vader een fijne tijd kunnen hebben. Daarnaast hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij De GezinsManager individuele therapie gevolgd, welke ook positief beëindigd gaat worden. Gezien wordt dat zij hun emoties op een gezonde manier kunnen uiten. Op school blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gezonde ontwikkeling doormaken.
5.8.
Evenals de GI is de kinderrechter verheugd om te vernemen dat de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] profijt hebben gehad van de ingezette hulpverlening en zij in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. Het vertrouwen in een goede afronding blijkt uit het gewijzigde verzoek van de GI. Naar de kinderrechter begrijpt, is een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig om de hulpverlening verder af te wikkelen en de Raad voor de Kinderbescherming te kunnen laten toetsen of de ondertoezichtstelling beëindigd kan worden. De kinderrechter sluit zich aan bij deze doelstelling. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat ook beide ouders zich hierin kunnen vinden. Dit geeft een hoopvol signaal voor de toekomst.
5.9.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen, conform het gewijzigde verzoek van de GI. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling zal worden verlengd met ingang van 27 januari 2026 tot 27 april 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
5.11.
Dit betekent dat de kinderrechter als volgt beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 27 januari 2026 tot 27 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.