ECLI:NL:RBZWB:2026:4664

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
12071374 \ CV EXPL 26-526
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over een huurachterstand en de vraag of de huurovereenkomst ontbonden moet worden. De verhuurder vordert ontbinding en ontruiming, terwijl partijen uiteindelijk overeenstemming bereiken over een betalingsregeling.

De huurder heeft een huurachterstand opgebouwd van €4.078,47 tot en met mei 2026, met bijkomende wettelijke rente en proceskosten. De verhuurder heeft de huurder meerdere malen aangemaand en gewezen op schuldhulpverlening, waarna de huurder niet afwijzend reageerde. Partijen komen overeen dat de huurder het totale bedrag van €5.463,42 in wekelijkse termijnen van €150 zal aflossen, naast de lopende huurverplichtingen.

De kantonrechter wijst de gewijzigde vordering toe, ontbindt de huurovereenkomst en legt een voorwaardelijke ontruiming op indien de huurder zich niet aan de betalingsafspraken houdt. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze ook gelden tijdens een eventueel hoger beroep.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur en ontruiming bij niet-naleving van de betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12071374 \ CV EXPL 26-526
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[verhuurder],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: [bedrijf],
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [huurder] moet worden ontbonden vanwege een huurachterstand en of [huurder] daarom de huurwoning moet verlaten. Partijen hebben gevraagd om een voorwaardelijk vonnis met hierin de afspraken die partijen hebben gemaakt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 januari 2026,
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 28 januari 2026 met de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Daarna heeft de kantonrechter een vonnisdatum bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 2 september 2020 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 394,72 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. [verhuurder] heeft [huurder] aangemaand op 20 oktober 2025 en 13 november 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
[verhuurder] heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. [verhuurder] heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.De beoordeling

3.1.
Na bespreking van de zaak verklaren partijen het eens te zijn geworden over het volgende:
a) De huurachterstand berekend tot en met de maand mei 2026 bedraagt € 4.078,47;
b) De wettelijke rente bedraagt tot en met 16 januari 2026 een bedrag van
€ 246,93;
c) [huurder] dient de proceskosten te betalen, vast te stellen op
€ 1.138,02 (€ 153,02 voor de dagvaarding, € 265,00 voor griffierecht,
€ 576,00 voor gemachtigdensalaris (2 punten á € 288,00 voor de dagvaarding en de mondelinge behandeling) en € 144,00 voor de nakosten);
d) [huurder] dient te blijven voldoen aan de lopende huurverplichtingen (inclusief huurverhoging) aan [verhuurder] zelf, te betalen steeds uiterlijk vóór de eerste dag van de maand of op een overeen te komen ander betaalmoment;
e) Partijen komen overeen dat de totale schuld wegens huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten, rente tot en met 16 januari 2026 en proceskosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.463,42, welk bedrag [huurder] in opeenvolgende wekelijkse termijnen van € 150,00 zal aflossen aan [verhuurder] . De aflossing vindt plaats via overboeking aan [bedrijf], de gemachtigde van [verhuurder] , op basis van een door [bedrijf] te sturen e-mailbericht met betaallink;
f) De eerste aflossingstermijn zal uiterlijk vóór 15 mei 2025 worden betaald, de volgende aflossingstermijnen steeds uiterlijk iedere vrijdag of op een overeen te komen ander betaalmoment.
3.2.
[verhuurder] wijzigt zijn vordering tot hetgeen [huurder] krachtens deze afspraken verschuldigd is en verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. [huurder] verzet zich niet tegen toewijzing van de gewijzigde vordering.
3.3.
Gehoord de standpunten van partijen, overweegt de kantonrechter dat de onvoldoende betwiste vorderingen, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, toewijsbaar zijn.
Gebruiksvergoeding
3.4.
Een bedrag van € 394,72 per maand (behoudens huurverhogingen) zal als gebruiksvergoeding worden toegewezen voor elke maand of gedeelte daarvan dat [huurder] vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen.
Rente en proceskosten
3.5.
De gevorderde verschenen en toekomstige wettelijke rente over de hoofdsom zal als niet weersproken worden toegewezen zoals hierna (onder 4. De beslissing) bepaald.
3.6.
[huurder] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zoals hiervoor onder 3.1. c) vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 5.463,42 bestaande uit achterstallige huur tot en met de maand maart 2026 (inclusief verschenen rente tot 16 januari 2026 en buitengerechtelijke kosten) en proceskosten, te vermeerderen met:
- de wettelijke rente over een bedrag van € 4.128,46 aan achterstallige huur en servicekosten vanaf 16 januari 2026 tot aan de dag dat alles is betaald met dien verstande dat bij de berekening van de wettelijke rente rekening moet worden gehouden met de door [huurder] gedane betaling van € 50,- in april 2026;
- de wettelijke rente over een bedrag van € 579,15 aan buitengerechtelijke kosten, vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurder] te betalen een bedrag van € 394,72 per maand, voor iedere ingegane maand vanaf 1 juni 2026 tot het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst en een bedrag € 394,72 per maand (behoudens huurverhogingen) voor iedere ingegane maand na de ontbinding van de huurovereenkomst tot de feitelijke ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van desbetreffende termijn tot de dag der algehele voldoening;
4.3.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde (de woning met aan- en toebehoren), staande en gelegen te [adres] en veroordeelt [huurder] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al zijn spullen en alle gebruikers van de woning (die geen medebewoners zijn) te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [verhuurder] te stellen, indien en zodra [huurder] zich niet houdt aan tenminste één van de volgende afspraken:
a) [huurder] blijft voldoen aan de lopende huurverplichtingen (van op dit moment € 394,72 per maand) aan [verhuurder] , te betalen steeds uiterlijk op de eerste dag van de maand;
b) [huurder] lost wekelijks op iedere vrijdag een bedrag af van € 150,00 naast de lopende huurverplichtingen als bedoeld onder 3.1. e);
c) De eerste aflossingstermijn zal uiterlijk vóór 15 mei 2025 worden betaald, de volgende aflossingstermijnen op uiterlijk iedere vrijdag of op een overeen te komen ander betaalmoment;
4.4.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.