ECLI:NL:RBZWB:2026:4676
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke woonunit wegens ontbreken spoedeisend belang
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda verleende op 23 februari 2026 een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit aan een adres in Breda. Verzoekers, twee verenigingen, maakten bezwaar tegen deze vergunning en dienden een verzoek om een voorlopige voorziening in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 7 mei 2026 en stelde vast dat de tijdelijke woonunit en de bijbehorende containers al waren geplaatst en dat de vergunning volledig was uitgevoerd. Verzoekers stelden dat de bouw en bewoning van de woonunit onomkeerbare schade zou veroorzaken aan beschermde diersoorten en archeologische waarden, en dat de vereiste compensatie voor natuurinbreuk ontbrak.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang was omdat het besluit al was uitgevoerd en het schorsen van de vergunning geen verdere bouwactiviteiten zou voorkomen. De rechter liet de vraag of daadwerkelijk sprake is van verstoring aan de bezwaarprocedure over en vond dat het woonbelang van vergunninghoudster en haar gezin zwaarder woog dan de gestelde verstoring.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.