ECLI:NL:RBZWB:2026:473

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
02-408558-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 8 lid 3 WVWArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met dodelijke afloop door rijden onder invloed en roekeloos rijgedrag

Op 28 januari 2024 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval op de A58 in de gemeente Goes waarbij een inzittende, zijn vriend, om het leven kwam. Verdachte reed onder invloed van alcohol met een te hoge snelheid en maakte abrupte rijbewegingen, waardoor hij de controle over het voertuig verloor en tegen de middengeleider botste. Het slachtoffer werd uit de bestelauto geslingerd en overreden door een andere auto.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval door roekeloos en onvoorzichtig rijgedrag in combinatie met alcoholgebruik. Verdachte was jong en had nog geen vijf jaar zijn rijbewijs. De officier van justitie vorderde een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar. De verdediging stemde in met de eis.

De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het verlies van zijn vriend, zijn schuldgevoel en het volgen van een cursus bij het CBR. Gezien de ernst van het feit en het strafdoel van algemene preventie legt de rechtbank een taakstraf van 180 uur op en een rijontzegging van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte wordt vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. De rechtbank benadrukt de zorgplicht van verkeersdeelnemers en veroordeelt verdachte voor het veroorzaken van het dodelijke ongeval onder invloed van alcohol en roekeloos rijgedrag.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een rijontzegging van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-408558-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval als gevolg waarvan
[slachtoffer] is overleden, terwijl verdachte onder invloed van alcoholhoudende drank
was;
2. gevaar heeft veroorzaakt op de weg, door zijn rijgedrag terwijl hij onder invloed
was van alcoholhoudende drank;
3. een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de lichtste tenlastegelegde variant.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte reed niet te hard volgens de verkeersregels, maar wel voor de situatie. Het is onduidelijk wat het rijgedrag was van de auto vóór verdachte waarmee verdachte een botsing wilde voorkomen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
hij op 28 januari 2024 in de gemeente Goes,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen
dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door in aanzienlijke mate
onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend
te rijden met een hogere snelheid dan gelet op de verkeerssituatie
verantwoord was, en, nadat hij eerst vrijwel direct na het invoegen op de A58 via
rijstrook 1 een andere auto had ingehaald, weer vanaf rijstrook 1 naar rijstrook 2
terug te sturen om vrijwel direct daarna weer abrupt terug naar links (van rijstrook 2
naar rijstrook 1) te sturen (teneinde een botsing met een voor hem op rijstrook 2
rijdende auto te voorkomen) en daarbij de controle over zijn voertuig kwijt te
raken en met zijn auto in een slip te belanden en vervolgens tegen de
geleiderail van de middengeleider is gebotst,
waardoor een ander werd gedood, te weten [slachtoffer] (inzittende van
voornoemde bestelauto) die uit de bestelauto werd geslingerd en op het wegdek van
de A58 terecht is gekomen en (vrijwel direct) werd overreden door een aldaar
rijdende personenauto,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
2
hij op 28 januari 2024 in de gemeente Goes, als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de A58,
- terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcohol –
met een snelheid van ongeveer 135 km/uur heeft ingevoegd vanaf de invoegstrook naar de rechterrijstrook
(rijstrook 2) van de A58 en direct door naar de linkerrijstrook (rijstrook 1) gereden
heeft (om een auto op rijstrook 2 in te halen) en vervolgens weer terug naar rijstrook
2 is gegaan en
onvoldoende zijn snelheid heeft aangepast aan de verkeerssituatie en abrupt
naar links (van rijstrook 2 naar rijstrook 1) heeft gestuurd (teneinde een botsing met
een voor hem rijdende auto te voorkomen) en daarbij de controle over zijn
voertuig is kwijt geraakt en met zijn auto in een slip is beland en vervolgens
tegen de geleiderail van de middengeleider is gebotst,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
en het verkeer op die weg werd gehinderd.
3
hij op 28 januari 2024 te Goes, als bestuurder
van een motorrijtuig, bestelauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik
van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek,
als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,
1,18 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed
bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist
en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de
eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van
18 jaar had bereikt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van honderd uur en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft bij deze strafeis sterk rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte bij het ongeval zijn vriend is verloren en dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om te werken zodat hij de schadevergoedingen kan betalen.
De officier van justitie heeft voorts naar voren gebracht dat er drie feiten ten laste zijn gelegd, maar dat sprake is van één feitencomplex.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat zij de eis van de officier van justitie passend acht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, maar dat daar wel oplossingen voor mogelijk zijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
-
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij zijn passagier om het leven is gekomen. Hij was onder invloed van alcohol en reed sneller dan verantwoord was gegeven de verkeerssituatie, waardoor hij de macht over het stuur verloor. Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is hierin ernstig tekortgeschoten. Verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn passagier en ook ten opzichte van de medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Verdachte heeft diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. De impact van het fatale ongeval is zeer groot.
-
De persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van 30 december 2024 op naam van verdachte komt naar voren dat hij twee keer voor lichte vergrijpen in contact is geweest met justitie, waarop is gereageerd met een strafbeschikking. De rechtbank zal dit niet in negatieve zin betrekken bij de oplegging van de straf.
Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 9 december 2025 naar voren gebracht dat sprake is van stabiliteit op alle leefgebieden. Het verkeersongeval en het verlies van zijn beste vriend hebben zijn wereld op zijn kop gezet. Verdachte neemt verantwoordelijkheid richting de familie van het slachtoffer. Hij leeft met een schuldgevoel richting iedereen die het slachtoffer kende. Hij vindt het lastig om om te gaan met zijn eigen rouwproces en gevoelens. Naar aanleiding van het verkeersongeval heeft verdachte een cursus gevolgd bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Hij zegt nu niet meer te drinken als hij deelneemt aan het verkeer.
Dit heeft verdachte ter terechtzitting herhaald. De cursus van het CBR heeft hem naar eigen zeggen verhelderende inzichten gegeven over de invloed van alcohol op het denken (zelfoverschatting) en op de langzamere reactiesnelheid tijdens het rijden. De rechtbank gaat ervan uit dat, behalve de gevolgen van het ongeval zelf, ook deze cursus een recidivebeperkende werking heeft gehad.
-
De straf
Er is sprake van ééndaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten. Dit leidt ertoe dat van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 alleen feit 1 gekwalificeerd zal worden omdat feit 2 een overtreding betreft.
In soortgelijke zaken wordt als uitgangspunt genomen een gevangenisstraf van zes maanden in combinatie met een rijontzegging van twee jaar. Gelet op de omstandigheden in deze zaak zal de rechtbank hier echter van afwijken. Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte bij het ongeval een zeer dierbare vriend is verloren. Daarbij komt dat verdachte steeds contact heeft gehouden met de nabestaanden en dat hij financieel ook zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het lang heeft geduurd totdat het tot een behandeling van de zaak is gekomen.
De door de officier van justitie gevorderde straf acht de rechtbank vanwege het strafdoel van algemene preventie echter onvoldoende passend. Om recht te doen aan dit strafdoel, maar eveneens rekening houdend met genoemde omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank een taakstraf van 180 uur en een rijontzegging van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Eendaadse samenloop van
feit 1:overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van deze wet;
en
feit 3:overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet
1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 (negentig) dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 28 januari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 28 januari 2024 in de gemeente Goes, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de A58, zich zodanig heeft gedragen
dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate
onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig
- terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcohol -
te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gelet op de verkeerssituatie
verantwoord was, althans onvoldoende zijn snelheid aan te passen aan de
verkeerssituatie en/of, nadat hij eerst vrijwel direct na het invoegen op de A58 via
rijstrook 1 een andere auto had ingehaald, weer vanaf rijstrook 1 naar rijstrook 2
terug te sturen om vrijwel direct daarna weer abrupt terug naar links (van rijstrook 2
naar rijstrook 1) te sturen (teneinde een botsing met een voor hem op rijstrook 2
rijdende auto te voorkomen) en/of (daarbij) de controle over zijn voertuig kwijt te
raken en/of met zijn auto in een slip te belanden en/of (vervolgens) tegen de
geleiderail van de middengeleider is gebotst,
waardoor een ander werd gedood, te weten [slachtoffer] (inzittende van
voornoemde bestelauto) die uit de bestelauto werd geslingerd en op het wegdek van
de A58 terecht is gekomen en (vrijwel direct) werd overreden door een aldaar
rijdende personenauto,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,
tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het
feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,
zevende of negende lid van genoemde wet;
( art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
2
hij op of omstreeks 28 januari 2024 in de gemeente Goes, althans in Nederland, als
bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de
A58,
- terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcohol –
met een snelheid van ongeveer 135 km/uur, althans met een aanmerkelijk hogere
snelheid dan gelet op de verkeerssituatie verantwoord was, in ieder geval met een
(te) hoge snelheid heeft ingevoegd vanaf de invoegstrook naar de rechterrijstrook
(rijstrook 2) van de A58 en direct door naar de linkerrijstrook (rijstrook 1) gereden
heeft (om een auto op rijstrook 2 in te halen) en vervolgens weer terug naar rijstrook
2 is gegaan en/of
onvoldoende zijn snelheid heeft aangepast aan de verkeerssituatie en/of abrupt
naar links (van rijstrook 2 naar rijstrook 1) heeft gestuurd (teneinde een botsing met
een voor hem rijdende auto te voorkomen) en/of (daarbij) de controle over zijn
voertuig is kwijt geraakt en/of met zijn auto in een slip is beland en/of (vervolgens)
tegen de geleiderail van de middengeleider is gebotst,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd.
( art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 )
3
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Goes, althans in Nederland, als bestuurder
van een motorrijtuig, bestelauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik
van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek,
als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,
1,18 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed
bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist
en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de
eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van
18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog
niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is
afgegeven;
( art 8 lid 3 ahf Pro/sub b onder 2° Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 3 ahf Pro/sub b onder 3°
Wegenverkeerswet 1994 )