Op 24 maart 2025 heeft verdachte in een apotheek te Schouwen-Duiveland geprobeerd aangeefster te dwingen tot afgifte van medicatie door middel van bedreiging met een mes en dreigende woorden. De rechtbank acht dit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelt verdachte voor poging tot afpersing.
Verdachte werd tevens verdacht van twee overtredingen van een gebiedsverbod in juni 2025. De rechtbank kon echter niet vaststellen dat verdachte op de hoogte was van het gebiedsverbod of dat hij wist dat de locaties waar hij werd aangehouden onder het verbod vielen. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van deze feiten.
De rechtbank weegt de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn psychische en sociale problematiek. Gezien de omstandigheden legt de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest, zonder voorwaardelijk deel.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot immateriële schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing van aantasting in haar persoon. Het in beslag genomen mes wordt niet verbeurd verklaard omdat verdachte afstand heeft gedaan van het voorwerp.
De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 januari 2026.