Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4743

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1997 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 9:3 AwbArt. 9:4 AwbArt. 9:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring beroep inzake niet tijdig beslissen klacht onjuiste terinzagelegging

Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders over zijn klacht over een onjuiste terinzagelegging van openbare stukken bij het TAM-ontwerp omgevingsplan.

De rechtbank had zich op 1 mei 2026 onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat het niet tijdig beslissen op een klacht niet vatbaar is voor beroep. Opposant stelde verzet in tegen deze onbevoegdverklaring en voerde aan dat zijn klacht als een verkapt bezwaar moest worden gezien en dat het college in strijd met diverse artikelen van de Awb had gehandeld.

De rechtbank oordeelde dat hoofdstuk 9 van de Awb een bijzondere regeling bevat voor klachtbehandeling, waarbij tegen beslissingen over klachten geen bezwaar of beroep openstaat. Dit geldt ook voor het niet tijdig beslissen op klachten. Daarom is het beroep van opposant niet ontvankelijk en was de onbevoegdverklaring terecht.

Het verzet werd ongegrond verklaard en de uitspraak van 1 mei 2026 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van 1 mei 2026 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1997 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats], opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 mei 2026 in het geding tussen
opposant
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg.

Inleiding

1. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake zijn klacht over een onjuiste terinzagelegging van openbare stukken over het TAM-ontwerp omgevingsplan [plan] te [plaats].
1.1.
Bij uitspraak van 1 mei 2026 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling van het verzet door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 1 mei 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd verklaard. De reden hiervoor is dat het niet tijdig beslissen op een klacht niet vatbaar is voor beroep.

De gronden van verzet van opposant

5. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zijn klacht gericht was aan een medewerker van het college, met als doel het in een vroeg stadium rechtzetten van een procedurefout. Zijn schrijven aan het college van 7 januari 2026 moet gelezen worden als een verkapt bezwaar. Het college heeft volgens opposant gehandeld in strijd met de artikelen 9:4, 9:6 en 9:8, derde lid, van de Awb door zijn klacht niet (tijdig) af te handelen. Omdat een reactie uitbleef, is het college rechtsgeldig in gebreke gesteld en is vervolgens een beroep gedaan op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Opposant verzoekt daarom zijn beroepschrift opnieuw in behandeling te nemen en tevens de verbeurde wettelijke dwangsom vast te stellen.
Beoordeling van het verzet
6. Niet in geschil is dat het beroepschrift van opposant ziet op het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake zijn klacht over een procedurefout, namelijk een onjuiste terinzagelegging van openbare stukken.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de wetgever met het opnemen van hoofdstuk 9 in de Awb betreffende klachtbehandeling en met de uitbreiding daarvan tot het zogenoemde externe klachtrecht de wijze van klachtbehandeling en de uitkomst daarvan als zodanig op een bijzondere wijze heeft geregeld. Als gevolg van de bijzondere regeling van hoofdstuk 9 van de Awb en in het bijzonder van artikel 9:3, staan ten aanzien van beslissingen betreffende de behandeling van een klacht niet de gebruikelijke rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep open. Dat hierdoor beslissingen niet aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd, betreft een bewuste keuze van de wetgever. De rechtbank is gebonden aan die in de Awb neergelegde keuze.
6.2.
In dit geval heeft opposant met de e-mail van 18 december 2025 en de brief van 7 januari 2026 een klacht ingediend. Op grond van artikel 9:3 van Pro de Awb kan tegen een antwoord op deze brieven geen bezwaar worden gemaakt en ook geen beroep worden ingesteld.
6.3.
Uit de zinsnede “inzake de behandeling van een klacht” volgt dat dit artikel 9:3 van Pro de Awb niet alleen betrekking heeft op het oordeel van een bestuursorgaan op een klacht, maar ook op de weigering een klacht (verder of opnieuw) in behandeling te nemen en alle andere handelingen die samenhangen met de klacht, zoals ook het (niet) tijdig beslissen.
6.4.
Nu opposant geen beroep bij de bestuursrechter kan instellen, kan hij evenmin een beroep doen op artikel 6:12 van Pro de Awb en de in afdeling 4.1.3. van de Awb neergelegde dwangsomregeling bij niet (tijdig) beslissen.
6.5.
Dit betekent dat de rechtbank zich in de bestreden uitspraak terecht kennelijk onbevoegd heeft verklaard om van het beroep van opposant kennis te nemen. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb vereenvoudigd afgedaan.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 29 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.