Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4745

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/2540 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in zaak over niet tijdig beslissen klacht TAM-ontwerp omgevingsplan

Verzoeker diende een klacht in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg over de onjuiste terinzagelegging van openbare stukken betreffende het TAM-ontwerp omgevingsplan. Na uitblijven van een reactie stelde verzoeker het college in gebreke en startte vervolgens een beroepsprocedure tegen het niet tijdig beslissen op zijn klacht. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, omdat tegen het niet tijdig beslissen op een klacht geen beroep openstaat.

Vervolgens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overwoog dat, aangezien de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard in de hoofdzaak, niet voldaan is aan de voorwaarden om een voorlopige voorziening te treffen. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter zich ook onbevoegd om op het verzoek te beslissen.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2540 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake zijn klacht over een onjuiste terinzagelegging van openbare stukken over het TAM-ontwerp omgevingsplan [plan] te [plaats].
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Voorgeschiedenis

2. Verzoeker heeft met de e-mail van 18 december 2025 en de brief van 7 januari 2026 een klacht ingediend bij (een medewerker van) het college. Toen een reactie uitbleef, heeft verzoeker het college in gebreke gesteld.
2.1.
Op 24 maart 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn klacht. De rechtbank heeft aan dit beroep het zaaknummer BRE 26/1997 toegekend.
Op 1 mei 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroepschrift kennis te nemen.
2.2.
Op 30 april 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank zich in de uitspraak van 1 mei 2026 onbevoegd heeft verklaard van het beroepschrift kennis te nemen, omdat tegen het niet tijdig beslissen op een klacht geen beroep open staat.
3.2.
Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van 1 mei 2026 ongegrond verklaard. Dit betekent dat de onbevoegd verklaring in de uitspraak in stand blijft.
3.3.
Nu de rechtbank niet bevoegd is in de hoofdzaak, is niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter is daarom (ook) kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter is kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 29 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.