ECLI:NL:RBZWB:2026:4760

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446727 / JE RK 26-580
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en hulpverleningsnoodzaak

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2026, vanwege ernstige bedreiging van diens ontwikkeling. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag, maar er zijn zorgen over huiselijk geweld in de relatie en een belast verleden van de moeder met psychiatrische problematiek. Eerder zijn de broertjes en zusjes van de minderjarige uit huis geplaatst vanwege onveiligheid.

De minderjarige verblijft met de moeder in een moeder-kindhuis, waar het goed gaat. De ouders zijn bereid hulp te accepteren en samen te werken aan systeemtherapie. De Raad en de gecertificeerde instelling benadrukken de noodzaak van gedwongen hulpverlening en toezicht om terugval en stagnering van hulpverlening te voorkomen.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulp onvoldoende is gebleken en dat ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De beschikking geldt voor de duur van een jaar en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De ouders worden verplicht mee te werken aan hulpverlening gericht op opvoedvaardigheden, het voorkomen van huiselijk geweld en verwerking van trauma's.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446727 / JE RK 26-580
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
thans verblijvende in [plaats 2] ,
advocaat mr. D. Boudrad uit Gilze,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 3] ,
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
  • het rapport van de Raad van 10 april 2026;
  • het e-mailbericht van mr. Boudrad van 17 april 2026;
  • de tijdens de zitting door mr. Boudrad overgelegde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Boudrad, namens de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder heeft de zitting bijgewoond via een Teams-verbinding.
Hoewel correct opgeroepen is de vader niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 februari 2026 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 februari 2026 tot 6 mei 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft met de moeder in een moeder-kindhuis in [plaats 4] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Reeds voor de geboorte van [minderjarige] waren er zorgen over de (on)veiligheid in de relatie tussen de ouders, waarin eerder sprake is geweest van huiselijk geweld. Daarnaast waren er zorgen over het feit dat er bij de moeder sprake is van een belast verleden (en mogelijk daaruit voorkomende psychiatrie), waardoor zij moeite lijkt te hebben situaties te overzien. Het lukt haar niet om in besluiten de behoeften van haar kinderen boven die van zichzelf te plaatsen. Het broertje en zusje van [minderjarige] zijn in januari 2026 uit huis geplaatst vanwege de onveiligheid. De moeder verblijft met [minderjarige] in een moeder-kindhuis in [plaats 4] . Zij lijkt het in de zorg voor haar baby goed te doen en heeft gedurende de zwangerschap, kraamtijd en de (nog korte) periode daarna keuzes gemaakt die in het belang waren van haar baby. De ouders willen samen voor de baby gaan zorgen en geven aan bereid te zijn hiervoor, en voor hun onderlinge relatie, hulp te accepteren. Ondanks deze positieve ontwikkeling is er sprake van een kwetsbare situatie. De zorgen die er waren, en die hebben geleid tot de uithuisplaatsing van het broertje en zusje van [minderjarige] , zijn in de kern nog niet aangepakt. Het is van belang om de diepgewortelde patronen bij de moeder en in de relatie van de ouders aan te pakken. Het is in het belang van [minderjarige] dat de hulpverlening gegarandeerd van de grond komt. Binnen het moeder-kindhuis moet meer zicht komen op de opvoedvaardigheden van de moeder, waarbij ook de vader meegenomen moet worden. Een speciale 24-uur GGZ behandelsetting is naar de mening van de Raad niet noodzakelijk. De moeder kan deze behandeling ook in ambulante vorm krijgen. Wel is het van belang dat het betreffende moeder-kindhuis en de ambulante GGZ hulpverlening nauw met elkaar samenwerken. Bij de Raad blijft de zorg bestaan dat de ouders zich terugtrekken uit de hulpverlening. Reeds eerder hebben zij hulpverlening gestaakt of begeleiding genegeerd. Dit heeft zelfs geleid tot twee maal een uithuisplaatsing van het broertje en zusje van [minderjarige] . Dit moet voorkomen worden voor [minderjarige] . De ouders hebben aangegeven dat zij bereid zijn mee te werken aan systeemtherapie om zo de onveiligheid tegen te gaan die heeft bestaan binnen hun relatie. Ook zijn zij bereid mee te werken aan de plaatsing binnen een moeder-kindhuis, waarbij op ambulant niveau ook gewerkt wordt aan de psychische problematiek van de moeder. De ouders willen doen wat nodig is om de bestaande zorgen aan te pakken. De Raad meent dat de hulpverlening zich moet richten op de opvoedvaardigheden van de ouders, de relaties tussen de ouders om huiselijk geweld te voorkomen en het verwerken van trauma’s bij de moeder. De Raad meent dat hierop toezicht nodig is en soms ook dwang vanuit een gedwongen kader, opdat de ouders erop gewezen kunnen worden wanneer zij de nodige begeleiding naast zich neer zouden leggen.
4.2.
De GI onderschrijft de noodzaak van een ondertoezichtstelling en is bereid deze uit te voeren. Het is positief dat de moeder zich goed thuis voelt in het moeder-kindhuis in [plaats 4] . De GI meent dat er nogal wat haken en ogen zitten aan het door de Raad geadviseerde ambulante hulpverleningstraject. In de praktijk is gebleken dat de moeder niet altijd haar medewerking verleent wanneer er meer van haar verlangd wordt. De GI geeft de voorkeur aan een plaatsing van de moeder en [minderjarige] bij de [ggz-instelling] . Als enige aanbieder in Nederland hebben zij alle nodige disciplines onder één dak, zodat er integraal naar het gezin kan worden gekeken en ook de vader bij het traject kan worden betrokken. De GI meent dat dit de kans van slagen vergroot, zeker nu de ouders hebben aangegeven dat zij samen door willen gaan. De GI vindt het daarnaast belangrijk dat er oog is voor het contact met de andere twee kinderen. De GI is het verder met veel punten in het plan van aanpak van de moeder eens.
4.3.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting aangevoerd dat zij zich niet verzet tegen een ondertoezichtstelling. Het gaat goed met haar en [minderjarige] in het moeder-kindhuis. De moeder heeft het gevoel dat zij hier de kans krijgt om te laten zien wat zij kan. De moeder is bereid alles te doen om haar kinderen bij zich te houden. Zij heeft soms echter wel vragen over de manier waarop de dingen gaan. De moeder wil het liefst zo snel mogelijk toewerken naar een thuisplaatsing van haar en [minderjarige] , waarbij er ambulante hulpverlening plaatsvindt. Zij heeft een plan van aanpak gemaakt om hiertoe te komen. Een plaatsing bij [ggz-instelling] zou betekenen dat zij nog verder weg is van haar andere kinderen. Daarbij komt dat het een heel intensieve behandeling is. Wanneer dit op een minder ingrijpende manier kan heeft dit de voorkeur van de moeder. Daarnaast is het de vraag of het uitvoerbaar is om de vader bij het traject van [ggz-instelling] te betrekken, gelet op de reisafstand. Wanneer echt goed wordt onderbouwd waarom zij daarheen zou moeten is de moeder bereid naar een intake bij [ggz-instelling] te gaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. In de relatie tussen de ouders is eerder sprake geweest van huiselijk geweld. Het is de ouders niet gelukt om de veiligheid van het broertje en zusje van [minderjarige] te waarborgen, waardoor zij uit huis zijn geplaatst. De moeder heeft een belast verleden en kampt met persoonlijke problematiek, waardoor het haar niet altijd lukt om de dingen te overzien en de zaken te regelen die nodig zijn. De moeder en [minderjarige] zitten momenteel in een moeder-kindhuis in [plaats 4] . Het is positief te horen dat het hier goed gaat. De kinderrechter is van oordeel dat het belangrijk is dat er hulpverlening komt voor de moeder, waarbij er wordt gewerkt aan haar persoonlijke problematiek. Ook de vader dient bij de hulpverlening te worden betrokken. Het is in het belang van [minderjarige] en de andere kinderen dat de eerder ingezette systeemtherapie wordt voortgezet. Daarbij is het belangrijk dat de ouders tools krijgen aangereikt om te doen wat het beste is voor de ontwikkeling van de kinderen. Het is noodzakelijk dat dit gebeurt in het gedwongen kader. De kinderrechter heeft er begrip voor dat de moeder de voorkeur geeft aan een ambulant traject, echter, zij dient zich te realiseren dat er nog veel moet gebeuren. De kinderrechter heeft er alle vertrouwen in dat de GI gaat kijken wat de beste plek is voor de moeder en [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder zich hiervoor openstelt en de samenwerking met de GI aangaat.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De hulpverlening is in het verleden verschillende keren gestagneerd. Het is belangrijk dat er regie gaat worden gevoerd door de GI.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Binnen de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt aan de volgende hulpverleningsdoelen, zoals opgenomen in het raadsrapport:
• [minderjarige] groeit op in een veilige omgeving met betrokken ouders die beschikken over opvoedvaardigheden passend bij de leeftijd en de behoeften van [minderjarige] ;
• [minderjarige] kan rekenen op ouders die haar niet blootstellen aan huiselijk geweld, zowel verbaal als non-verbaal;
• [minderjarige] heeft contact met haar broer en zus, kent hen en voelt uiteindelijk een familieband met hen;
• [minderjarige] kan rekenen op een moeder die stabiel is en eventuele trauma’s heeft verwerkt.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 6 mei 2026 tot 6 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.