ECLI:NL:RBZWB:2026:4767

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447461 / JE RK 26-703
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening brede machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met inzet buddy en diagnostiek

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van een brede machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds april 2026 op een crisisopvang verblijft. De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord en vastgesteld dat er geen nieuwe feiten zijn die herroeping van de spoedmachtiging rechtvaardigen.

De minderjarige kan niet terugkeren naar haar ouders vanwege zorgen over de opvoedsituatie en gezondheidsproblemen van de moeder. De plaatsing in het gezinshuis bleek niet passend vanwege conflicten en onveiligheid. De kinderrechter benadrukt het belang van een passende vervolgplek en een betere communicatie bij overplaatsing.

Daarnaast beveelt de kinderrechter de inzet van een buddy of JIM aan als vertrouwenspersoon voor de minderjarige en vraagt om nader diagnostisch onderzoek naar onderliggende problematiek. Ook moet de GI onderzoek doen naar ervaren onveiligheid in het gezinshuis of dit melden bij bevoegde instanties.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige blijft geplaatst tot 14 maart 2027. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de brede machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 14 maart 2027 en beveelt inzet van een buddy en nader diagnostisch onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447461 / JE RK 26-703
Datum uitspraak: 29 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. van Steenberge uit Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 22 april 2026 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
  • het door de GI tijdens de zitting overgelegde plan van aanpak.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een (telefonisch) gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk
gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 14 maart 2024 en tot 14 maart 2025. De ondertoezichtstelling is hierna steeds
verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 februari 2026 voor de periode van 14 maart
2026 en tot 14 maart 2027.
2.3.
Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 december 2025 en tot
26 december 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 24 december 2026 verlengd met
ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30
januari 2026. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van
24 februari 2026 voor de periode van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027.
2.5.
Bij beschikking van 22 april 2026 is een (brede) spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen met ingang van 22 april 2026 en tot 6 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] op [accommodatie] in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Thans ligt ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedmachtiging met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode van 6 mei 2026 en tot 14 maart 2027.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige] is vanwege haar zorg- en begeleidingsbehoeften middels een spoedmachtiging overgeplaatst van het gezinshuis naar [accommodatie] . [accommodatie] is echter een crisisplaatsing waar [minderjarige] niet langdurig kan verblijven. De GI heeft ondanks verschillende aanmeldingen bij mogelijke vervolgplekken nog geen passende plek gevonden waar [minderjarige] terecht kan. Op dit moment is er één op één begeleiding aangevraagd en wordt er ook gekeken of [minderjarige] kan worden aangemeld bij de zorgboerderij, met de mogelijkheid om onderwijs te volgen. In de tussentijd worden er verschillende organisaties benaderd voor het vinden van een geschikte vervolgplek. Omdat nog onduidelijk is waar [minderjarige] terecht kan, verzoekt de GI een brede machtiging tot uithuisplaatsing.
4.2.
Door en namens de moeder is er geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder vindt dat er in het gezinshuis niet respectvol met elkaar om is gegaan en is van mening dat [minderjarige] beter op [accommodatie] kan verblijven. [minderjarige] heeft de moeder verteld dat er door de andere kinderen in het gezinshuis niet respectvol is omgegaan met haar spullen en dat er zijn momenten geweest dat de gezinshuisvader zonder te kloppen bij [minderjarige] is binnengelopen terwijl zij net uit de badkamer kwam. [minderjarige] heeft geprobeerd om deze punten bespreekbaar te maken, maar toen is [minderjarige] een probleem geworden. [minderjarige] voelt zich niet gehoord en kan op dergelijke momenten opstandig reageren. De moeder hoopt dat er voor [minderjarige] snel een geschikte vervolgplek gevonden gaat worden. De moeder zou tot slot graag zien dat [minderjarige] op korte termijn een buddy krijgt, zodat zij iemand heeft waar zij haar hart bij kan luchten.
4.3.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij het fijn heeft op [accommodatie] . Zij ervaart hier meer rust dan in het gezinshuis. In het gezinshuis waren de relaties onderling gespannen en waren er regelmatig conflicten tussen [minderjarige] en de gezinshuisouders en tussen [minderjarige] en de andere kinderen in het gezin. Het liefst zou [minderjarige] bij haar moeder wonen. Haar vader zou zij graag willen zien op de momenten dat zij hem mist. Ook wil zij graag haar broertjes en zusjes blijven bezoeken. Zij ziet hen nu eens in de twee weken op donderdag en zij wil dit graag zo houden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 april 2026 een (brede) spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor de duur van twee weken. Deze beslissing is genomen zonder eerst de belanghebbenden te horen. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 29 april 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 22 april 2026 moet worden herroepen.
5.2.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] [minderjarige] verblijft sinds 22 april 2026 middels een spoedmachtiging op [accommodatie] . De plaatsing in het gezinshuis is niet passend gebleken bij de zorg- en begeleidingsbehoeften van [minderjarige] . [minderjarige] heeft regelmatig conflicten met de andere kinderen in het gezinshuis en ervaart moeite met het accepteren van gezag. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] op dit moment niet kan terugkeren naar een van haar ouders, gelet op de nog steeds aanwezige zorgen over de opvoedsituaties van beide ouders en de gezondheidsproblemen van de moeder. Een (veel) langer verblijf op [accommodatie] is echter ook niet in het belang van [minderjarige] aangezien dit een crisisopvang betreft. De kinderrechter is het met de belanghebbenden eens dat er zo snel mogelijk een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] gevonden moet worden. De kinderrechter wil hierbij benadrukken dat deze overplaatsing - zeker in vergelijking met de gang van zaken rond de plaatsing van 22 april 2026 - beter begeleid en gecommuniceerd moet worden, zowel met [minderjarige] als met de vader en de moeder. Omdat nog onzeker is waar [minderjarige] terecht kan, verleent de kinderrechter een brede machtiging tot uithuisplaatsing.
5.3.
De komende periode verwacht de kinderrechter van de GI dat er een vertrouwenspersoon, in de vorm van een buddy of JIM (Jouw Ingebrachte Mentor) voor [minderjarige] wordt ingezet. De kinderrechter gunt [minderjarige] een vast gezicht met wie zij in vertrouwen kan spreken, die haar begrijpt en er altijd voor [minderjarige] is. Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat er meer duidelijkheid gaat ontstaan over de diagnostiek van [minderjarige] . De kinderrechter vraagt zich af of de onderliggende patronen van [minderjarige] voortkomen uit trauma gerelateerde klachten of kindeigen problematiek. In dit kader is het aan de GI om te onderzoeken of diagnostisch onderzoek op enig moment passend is. Tot slot wil de kinderrechter aandacht besteden aan hetgeen de moeder op zitting heeft verteld. [minderjarige] heeft in het gezinshuis onveiligheid ervaren door gedrag van één van de gezinsouders. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat dit nader onderzocht moet worden. De kinderrechter vraagt de GI dan ook om hier onderzoek naar te verrichten, dan wel dit bij de juiste instantie te melden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 6 mei 2026 en tot 14 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.