ECLI:NL:RBZWB:2026:477

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/4598 PW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArtikel 3, vierde lid, onder b van de Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek bijstanduitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eisers hebben een herzieningsverzoek ingediend tegen het besluit van 8 januari 2021 waarbij hun bijstandsuitkering werd ingetrokken en teruggevorderd. Dit besluit was genomen na een eerdere uitspraak van de rechtbank die het oorspronkelijke besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering over de gezamenlijke huishouding.

De rechtbank heeft beoordeeld dat het herzieningsverzoek terecht is afgewezen door Orionis omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die het eerdere besluit kunnen wijzigen. De aangevoerde argumenten, waaronder vermeende dwang bij een verklaring en berichten over misstanden bij Orionis, zijn onvoldoende onderbouwd en waren reeds bekend of hadden toen aangevoerd kunnen worden.

De rechtbank concludeert dat het verzoek om terug te komen op het besluit niet kan slagen en dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds en griffier C.M.A. Groenendaal op 28 januari 2026.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek is terecht afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4598 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

1.
[eiser], uit [woonplaats] ,
2.
[eiseres], uit [woonplaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van eisers. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing terecht was.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Orionis het herzieningsverzoek van eisers terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 6 maart 2025 een herzieningsverzoek ingediend ten aanzien van een besluit van 8 januari 2021. Orionis heeft het verzoek op 25 maart 2025 afgewezen. In het bestreden besluit van 31 juli 2025 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben, middels een digitale videoverbinding, deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en namens Orionis [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. In de uitspraak van 23 december 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [1] is een oordeel gegeven over de besluiten van 16 juli 2019. In het ene besluit was de uitkering op basis van de Participatiewet (bijstandsuitkering) van mevrouw [eiseres] ingetrokken en teruggevorderd. In het andere was de heer [eiser] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering. De rechtbank heeft, kort samengevat, geoordeeld dat Orionis terecht heeft aangenomen dat mevrouw [eiseres] vanaf 1 juli 2018 haar hoofdverblijf had in de woning van de heer [eiser] . Toch heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, omdat in het bestreden besluit niet is ingegaan op de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd en Orionis opgedragen om een nieuw besluit (op bezwaar) te nemen met inachtneming van de uitspraak.
3.1.
Op 8 januari 2021 heeft Orionis een nieuw besluit (op bezwaar) genomen. Orionis geeft daarin aan dat zij naar aanleiding van de uitspraak nader onderzoek heeft gedaan en daarbij heeft geconcludeerd dat eisers een gezamenlijke huishouding voeren. Orionis heeft daarom – wederom, maar dan op basis van de nieuwe motivering – besloten om de bijstandsuitkering van mevrouw [eiseres] in te trekken en een bedrag van € 14.040,67 (hoofdelijk) terug te vorderen van zowel haar als van de heer [eiser] . Tegen dit besluit hebben eisers geen beroep ingesteld.
3.2.
Op 6 maart 2025 hebben eisers een herzieningsverzoek ingediend ten aanzien van het hiervoor genoemde besluit van 8 januari 2021. Met het besluit van 25 maart 2025 heeft Orionis het herzieningsverzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Eisers hebben daar op 29 april 2025 bezwaar tegen gemaakt. Op de hoorzitting van 16 juni 2025 hebben eisers aangegeven dat zij graag met een schone lei verder willen. Orionis heeft daarom een schikkingsvoorstel gedaan. Op 14 juli 2025 hebben eisers aangegeven geen gebruik te willen maken van het aanbod en verzocht om een besluit op bezwaar.
Het bestreden besluit
4. Orionis heeft op 31 juli 2025 het bezwaar ongegrond verklaard, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb). De gronden die in het bezwaarschrift genoemd worden, zijn of hadden in de beroepsprocedure over de besluiten van 16 juli 2019 reeds naar voren (kunnen worden) gebracht.
Wettelijk kader
5. Als de termijn waarbinnen tegen een besluit bezwaar, beroep of hoger beroep kan worden ingesteld ongebruikt is verstreken of als het gebruik van die rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er dan voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere, oorspronkelijk besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
5.1.
Het verzoek van eiser is erop gericht dat het Orionis terugkomt van het besluit van 8 januari 2021. Dat besluit stond toen al in rechte vast. Orionis heeft dit verzoek op de vereenvoudigde manier afgedaan.
5.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of Orionis zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, dan kan de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden eventueel toch tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
Beroepsgronden
6. Eisers stellen dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Daartoe voeren zijn aan er in het besluit van 8 januari 2021 zaken onjuist zijn weergegeven. Mevrouw [eiseres] stelt dat zij niet erkend heeft dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij samengewoond zou worden. Verder stellen zij dat onvoldoende onderzocht is of het zwaartepunt van het persoonlijk leven van mevrouw [eiseres] zich bevond in de woning van de heer [eiser] . Daarnaast beroepen eisers zich erop dat de verklaring die mevrouw [eiseres] heeft afgelegd op het kantoor van Orionis, onder dwang tot stand is gekomen. Daarbij wijzen eisers op berichten in de media waaruit zou blijken dat sprake is geweest van misstanden bij Orionis, hetgeen een reden zou zijn om anders te kijken naar de door eisers gestelde dwang. Ten slotte heeft Orionis volgens eisers bij de behandeling van het herzieningsverzoek onvoldoende oog gehad voor de menselijke maat.
Beoordeling van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden (nova) in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De artikelen in de media kunnen niet als zodanig worden gekwalificeerd. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van misstanden bij Orionis – wat niet kan worden aangenomen op basis van enkel een aantal artikelen in de media, temeer nu Orionis heeft verklaard dat na onderzoek is geconcludeerd dat de beschuldigingen niet hard gemaakt konden worden – geldt dat er geen objectief onderbouwde aanwijzingen zijn dat dergelijke misstanden zich ook hebben voorgedaan tijdens het gesprek met mevrouw [eiseres] .
Voor de overige feiten en omstandigheden die eisers aanvoeren, geldt dat die ten tijde van het nemen van het besluit van 8 januari 2021 al bekend waren dan wel vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Uit hetgeen eisers ter zitting hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat zij van mening zijn dat hun belangen destijds onvoldoende zijn gewaarborgd door hun toenmalige gemachtigde. Dat komt in dit verband voor hun rekening en risico; de argumenten en/of verklaringen die zij destijds naar voren hadden willen brengen, zijn geen nova.
7.1.
Wat eisers hebben aangevoerd, leidt ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Met wat eisers hebben aangevoerd, willen zij in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van het oorspronkelijke besluit. Daarvoor is in deze procedure geen plaats omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gemeld. Dat neemt niet weg dat als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, dat kan worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. [3] Maar voor zover eisers hebben betoogd dat daarvan sprake is, treft dat betoog geen doel. Op basis van de hiervoor genoemde uitspraak van 23 december 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant stond reeds vast dat mevrouw [eiseres] vanaf 1 juli 2018 haar hoofdverblijf had in de woning van de heer [eiser] . Orionis hoefde dat voorafgaand aan het besluit van 8 januari 2021 dus niet opnieuw te onderzoeken. Dat gegeven, in combinatie met het feit dat de heer [eiser] de juridisch vader was (door erkenning) van twee minderjarige kinderen van mevrouw [eiseres] , maakt dat op grond van de wet een gezamenlijke huishouding aanwezig werd geacht. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Orionis terecht het herzieningsverzoek van eisers heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 28 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

2.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
3.CRvB 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.
4.Artikel 3, vierde lid, onder b van de Participatiewet.