ECLI:NL:RBZWB:2026:4771

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445191 / JE RK 26-281
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds haar geboorte in een pleeggezin verblijft. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar kampen met lichte verstandelijke beperkingen, psychiatrische problematiek en middelengebruik, wat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt.

De kinderrechter heeft de eerdere ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing reeds verlengd en beoordeelt nu opnieuw de noodzaak van verlenging. De moeder heeft beperkt contact met de minderjarige, de vader heeft recent het contact verbroken. De pleegouders zorgen voor een stabiele en liefdevolle omgeving waarin de minderjarige zich goed ontwikkelt.

De kinderrechter concludeert dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. De situatie van de ouders blijft zorgelijk en de minderjarige heeft een stabiele en veilige omgeving nodig. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verlenging geldt van 1 mei 2026 tot 1 mei 2027.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445191 / JE RK 26-281
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
de heer en mevrouw [de pleegouders],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026;
  • het stelbericht van mr. Langenberg van 13 april 2026;
  • de e-mailberichten van [pleegzorg] van 16 april 2026 en 28 april 2026;
  • het bericht van de GI van 21 april 2026;
  • het e-mailbericht van het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg van 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • mr. Langenberg, namens de moeder;
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI (via een Teams-verbinding).
Tevens waren met bijzondere toestemming aanwezig twee begeleiders van [pleegzorg] en twee begeleiders van de vader van het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg.
Hoewel correct opgeroepen zijn de vader en de moeder niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds haar geboorte op [geboortedag] 2024 in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2024 (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder toezicht gesteld van 1 mei 2024 tot 1 mei 2025. Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor (de toen nog ongeboren) [minderjarige] , met ingang van 6 juni 2024 tot 1 mei 2025.
2.4.
Bij beschikking van 28 april 2025 zijn beide maatregelen verlengd tot 1 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is direct na haar geboorte geplaatst bij het huidige pleeggezin. Zij ontwikkelt zich hier goed. Bij de moeder is er sprake van een licht verstandelijke beperking (LVB), autisme en psychiatrische klachten, waarbij zij regelmatig psychosen heeft. Er is bij de moeder ook sprake van middelengebruik. Telkens wanneer de moeder medicatie voorgeschreven krijgt tegen psychosen, stopt de moeder hier weer mee. Onlangs is zij wederom gestopt met het innemen van medicatie.
4.2.
Bij de vader is eveneens sprake van een LVB. Daarnaast is er sprake van agressie- en emotieregulatieproblematiek en middelengebruik. De ouders hebben een relatie waarbij zij elkaar voortdurend aantrekken en afstoten en er steeds ruzies met (fysiek) geweld ontstaan.
4.3.
De moeder heeft een contactregeling met [minderjarige] waarbij zij haar een keer per drie weken gedurende drie kwartier ziet. Voorafgaand aan het contact wordt een check gedaan of de moeder niet onder invloed is. De contactregeling verloopt rustig en de moeder is hiermee tevreden.
4.4.
Het contact met de vader verliep tot voor kort zeer goed en zat in een uitbreidende fase. Gezien werd dat hij heel goed kon aansluiten bij [minderjarige] en geen sturing meer nodig had. De bedoeling was om het contact nog drie keer begeleid plaats te laten vinden, waarna hij onbegeleid contact met [minderjarige] zou kunnen hebben. Helaas is er iets voorgevallen tussen de ouders, waarna de vader heeft bericht dat hij zich volledig wil onttrekken aan het contact met [minderjarige] . Hij heeft de GI bericht dat het gezag over [minderjarige] wat hem betreft naar de pleegouders kan. Hij heeft geen contact meer gehad en wil ook geen foto’s of informatie meer van de pleegouders. De GI vindt dit erg jammer en hoopt dat hij het contact met [minderjarige] weer op gaat pakken.
4.5.
Het is voor de GI duidelijk dat [minderjarige] opgroeit in het huidige, perspectief biedende pleeggezin. Het perspectiefbesluit is reeds genomen. Tot op heden heeft de GI de Raad nog niet gevraagd om een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel omdat beide ouders steeds meewerken en toestemming geven wanneer dit nodig is.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
De pleegouders brengen, samengevat, naar voren dat zij het eens zijn met het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] . Zij is een vrolijk meisje en is goed gehecht in hun gezin. De pleegouders willen graag voor haar blijven zorgen. Zij zien dat de ouders allebei heel lief zijn voor [minderjarige] . De vader heeft eerder een periode geen contact met [minderjarige] gehad. Later is hij hier, na inzet van de hulpverlening, toch weer op terug gekomen. Zij hopen voor [minderjarige] dat dit ook nu weer het geval zal zijn. Zij zien dat de vader erg leuk met [minderjarige] om kan gaan.
5.2.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat de moeder zich met beide verzoeken kan verenigen. Zij heeft eens in de drie weken contact met [minderjarige] . Dat is voor dit moment voldoende.
5.3.
De vader is niet verschenen op de zitting om zijn mening te geven. Uit het verzoek blijkt dat hij van mening is dat [minderjarige] goed zit in het pleeggezin.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260 BW Pro kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] acht de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Ondertoezichtstelling
6.6.
Alle partijen zijn het erover eens dat er nog steeds sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] en dat de zorgen maken dat hulpverlening in het gedwongen kader nodig blijft. De situatie van de ouders is nog steeds zorgelijk. De verhouding tussen hen is zeer wisselend. Gezien wordt dat de moeder nog steeds hulpverlening nodig heeft vanwege haar persoonlijke problematiek. De vader had tot voor kort een regelmatig en fijn contact met [minderjarige] . Recent is er vermoedelijk iets voorgevallen tussen de ouders, waardoor de vader de handdoek in de ring heeft gegooid en geen contact meer wil met [minderjarige] . Als de situatie tussen de ouders zo door blijft gaan, krijgt [minderjarige] hier ongetwijfeld iets van mee. Dat is een grote zorg. Het lukt de ouders, waarschijnlijk door hun eigen problematiek, niet om deze zorg weg te nemen. De regie van de GI is hierbij hard nodig.
6.7.
De ondertoezichtstelling is gelet op het voorgaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
6.8.
De kinderrechter neemt de door de GI gestelde doelen voor het komende jaar over. Dit zijn:
  • [minderjarige] groeit op in een stabiele en veilige omgeving en haar toekomstperspectief is duidelijk;
  • [minderjarige] heeft een stabiele en liefdevolle omgang met beide ouders.
Uithuisplaatsing
6.9.
Ook ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing kan de kinderrechter kort zijn. De plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders, een perspectief biedend pleeggezin, moet gecontinueerd worden. Het gaat goed met [minderjarige] bij de pleegouders en zij krijgt daar de liefde, aandacht en stabiliteit die zij nodig heeft. Dit is terug te zien in haar ontwikkeling. Het is van belang dat deze situatie wordt voortgezet.
6.10.
Gelet op het bovenstaande verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 1 mei 2026 tot 1 mei 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 mei 2026 tot 1 mei 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.