ECLI:NL:RBZWB:2026:4777

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/439651 / JE RK 25-1641
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens zorgen over seksuele ontwikkeling en veiligheid

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die onder toezicht staat vanwege ernstige zorgen over zijn verzorging en opvoeding.

De GI baseert het verzoek op vermoedens van seksueel misbruik en gedragsproblemen van de minderjarige, die momenteel verblijft in een observatiegroep van Sterk Huis. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar kunnen de complexe zorg niet bieden die de minderjarige nodig heeft. De moeder stemt in met het verzoek, terwijl de vader bezwaren heeft vanwege zorgen over veiligheid in pleeggezinnen en wil dat de minderjarige bij hem komt wonen.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk blijft en verlengt deze voor de duur van de ondertoezichtstelling. Er wordt een passende plek gezocht, waarbij ook de omgang met de ouders wordt onderzocht. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 4 november 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439651 / JE RK 25-1641
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Hofland uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.A.E.C.J. Hooft uit Gilze.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 21 maart 2026, ontvangen op 24 maart 2026;
  • het bericht met bijlage van mr. Hofland van 23 april 2026.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 23 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 november 2025 tot 4 mei 2026. [minderjarige] verblijft op grond van deze machtiging bij een observatiegroep van Sterk Huis.

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt de brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er bestaan zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Deze zorgen zien met name op de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] . Er is waarschijnlijk sprake geweest van seksueel misbruik. Op de groep maakt [minderjarige] daar opmerkingen over en laat hij gedrag zien dat niet passend is bij zijn leeftijd. Het is belangrijk dat er veiligheid en structuur is voor [minderjarige] . De moeder en de vader kunnen hem dit onvoldoende bieden. Het is daarom noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. De komende periode zal worden toegewerkt naar uitbreiding van het contact van [minderjarige] met beide ouders. De insteek is dat [minderjarige] door de week in een pleeggezin verblijft, om het weekend bij de moeder is en het andere weekend bij de vader is. Er wordt gezien dat [minderjarige] sterke behoefte heeft aan een warm en liefdevol opvoedklimaat. Dat kan de behandelgroep [minderjarige] niet bieden. Voordat kan worden toegewerkt naar de weekendregeling moet [minderjarige] daarom op een passende plek worden geplaatst. Aangezien er nog geen pleeggezin op het oog is, wordt er een brede machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. De GI zal met de vader in gesprek gaan over zijn zorgen over de veiligheid in een pleeggezin naar aanleiding van nieuwsberichten. Het is belangrijk dat de ouders de samenwerking met de GI blijven zoeken.
4.2.
Op zitting is gebleken dat er onduidelijkheid bestond over het traject bij [hulpverlening] . Eerder is daar een aanmelding gedaan om de opvoedvaardigheden van de vader in kaart te brengen en te onderzoeken of het perspectief van [minderjarige] bij de vader kon liggen. Volgens [hulpverlening] ontbreekt het de vader echter aan intrinsieke motivatie en lijkt hij niet voldoende probleembesef te hebben om [minderjarige] de begeleiding en structuur te bieden die [minderjarige] gezien zijn kind-eigenproblematiek nodig heeft. Daarnaast vindt de GI het zorgelijk dat [minderjarige] verhalen heeft verteld die hij, naar eigen zeggen, niet mocht vertellen omdat dat problemen zou opleveren.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. Zij vindt het lastig dat er geen behandeling voor [minderjarige] is gestart. Ook vindt zij het ingewikkeld dat er geen concreet plan is voor de toekomst. De moeder begrijpt dat [minderjarige] niet volledig bij haar kan wonen, maar wil graag dat [minderjarige] om het weekend bij haar is en het andere weekend bij de vader. [minderjarige] heeft liefde, structuur en aandacht nodig. Dat mist hij bij Sterk Huis. Aan de andere kant vindt [minderjarige] verandering ook lastig.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in het verzoek. De vader maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in een pleeggezin naar aanleiding van negatieve berichten over pleeggezinnen in het nieuws. De vader wil dat de [minderjarige] bij hem komt wonen. Er is een intakegesprek geweest bij [hulpverlening] , maar de vader heeft van de GI vernomen dat dit traject niet door gaat omdat het te lang duurt. De vader vindt dat er onvoldoende is gekeken of het perspectief van [minderjarige] bij hem ligt. Ook vindt hij het oneerlijk dat hij minder contact met [minderjarige] mag hebben. Hij wil graag een grotere rol in het leven van [minderjarige] spelen. De vader wil de weekendregeling handhaven.

6.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De machtiging tot uithuisplaatsing is nog steeds noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Er bestaan forse zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] . Er wordt nog onderzoek gedaan door Sterk Huis, maar de voorlopige conclusie is dat het aannemelijk is dat sprake is geweest van seksueel misbruik. [minderjarige] vertelt over buikpijngeheimpjes en laat gedrag en bewegingen zien die niet passend zijn bij zijn leeftijd. Daarnaast is [minderjarige] lange tijd getuige geweest van zowel verbaal als fysiek geweld in de thuissituatie. Hij vertelt over verhalen die hij niet mag vertellen omdat er dan problemen zullen komen. Verder heeft [minderjarige] een auditieve beperking en ADHD, waardoor hij één op één begeleiding nodig heeft. De ouders zijn op dit moment niet in staat de complexe zorg die [minderjarige] nodig heeft volledig te bieden en te ondersteunen.
6.4.
Hoewel [minderjarige] baat heeft bij de veiligheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van de observatiegroep waar hij op dit moment verblijft, kan deze groep hem niet de warmte en geborgenheid bieden die hij ook nodig heeft. Het is belangrijk dat de GI onderzoekt wat een passende plek is voor [minderjarige] zodat er een plan voor de toekomst kan worden gemaakt. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder én een voorziening voor pleegzorg. Het is daarnaast belangrijk dat wordt onderzocht of en zo ja hoe, de omgang van de ouders met [minderjarige] kan worden uitgebreid. [minderjarige] wil zijn ouders graag zien en ook de ouders geven aan [minderjarige] meer te willen zien. Nu [minderjarige] op dit moment niet terug naar de moeder kan, is het ook belangrijk dat de moeder handvatten krijgt hoe zij hier het beste met [minderjarige] over kan communiceren.
6.5.
De kinderrechter merkt op dat hij tussen de regels door leest dat de GI eigenlijk het perspectief van [minderjarige] al bepaald heeft, maar dat dit nog niet met zoveel woorden met de ouders is gedeeld. Het is belangrijk dat hierover duidelijk gecommuniceerd wordt en dat de ouders worden meegenomen in een dergelijke beslissing. Zeker gelet op het feit dat de vader uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet eens te zijn met een dergelijke perspectiefbeslissing.
6.6.
Tot slot benadrukt de kinderrechter dat het in het belang van [minderjarige] is dat beide ouders vertrouwen hebben in de GI, de beslissingen die de GI neemt en in de plaats waar [minderjarige] geplaatst zal worden. Op het moment dat de ouders dit vertrouwen niet hebben zal [minderjarige] dat voelen waardoor hij geen emotionele toestemming ervaart om zich veilig te voelen en verder te ontwikkelen. Het is belangrijk dat de ouders en de GI daarover het gesprek aan blijven gaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 mei 2026 tot 4 november 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.