ECLI:NL:RBZWB:2026:4778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447455 / JE RK 26-701
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige na terugkeer uit Spanje

De zaak betreft een minderjarige die in 2023 onder toezicht is gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) en in 2026 vanuit Spanje naar Nederland is teruggebracht nadat de moeder zonder toestemming was verhuisd. De moeder en minderjarige werden door de Spaanse politie gevonden, waarna de moeder werd aangehouden en de minderjarige in een neutrale setting in Nederland werd geplaatst.

De GI verzoekt om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken, terwijl de moeder primair verzoekt het verzoek af te wijzen en subsidiair een korte machtiging te verlenen om de situatie te beoordelen. De vader steunt de GI en benadrukt de noodzaak van een neutrale setting vanwege zorgen over de leefomstandigheden en het negatieve beeld dat de moeder over hem schetst.

De minderjarige heeft in een gesprek met de kinderrechter haar verdriet en wens om terug te keren naar haar moeder in Spanje uitgesproken. De kinderrechter constateert dat er geen nieuwe feiten zijn die de eerdere spoedmachtiging tot uithuisplaatsing herroepen en acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.

De machtiging wordt verlengd voor drie maanden, met het oog op nader onderzoek naar de situatie en het welzijn van de minderjarige. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd voor drie maanden in het belang van haar verzorging en opvoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447455 / JE RK 26-701
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in onbekend,
advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.A.J. Timmermans-Roelands uit Bergen op Zoom.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 22 april 2026 en de daarin opgenomen stukken.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 13 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 13 maart 2024 en tot 13 maart 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds
verlengd, voor het laatst met ingang van 13 maart 2026 en tot 13 december 2026.
2.3.
Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend, in die zin ten behoeve van een plaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, zulks met ingang van 22 april 2026 en tot 6 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] op dit moment in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt:
- op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging te
verlenen om [minderjarige] dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin, in een
gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de
duur van vier weken;
- aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de
ondertoezichtstelling in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in
een accommodatie jeugdhulpaanbieder;
- eerstgenoemde beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor
van belanghebbenden;
- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking van 22 april 2026 reeds deels beslist op dit verzoek. Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de reeds verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden moet worden herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 6 mei 2026 en tot 13 december 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat er sprake is van een zeer complexe situatie. In maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Het lukt de GI echter niet om in contact te komen met de moeder, ondanks de schriftelijke aanwijzing die de moeder in dit kader is gegeven. De moeder is in 2023 zonder toestemming van de vader verhuisd naar Spanje. Aan de door de rechtbank bevolen terugverhuizing heeft zij geen gevolg gegeven. De GI heeft met de Raad veel inspanningen geleverd om in contact te komen met de moeder, hetgeen niet gelukt is. Uiteindelijk zijn de Centrale Autoriteiten benaderd om te onderzoeken waar de moeder en [minderjarige] verblijven. Op 22 april 2026 is de GI door de politie geïnformeerd dat de moeder en [minderjarige] door de Spaanse politie zijn gevonden in Granada. De moeder is vervolgens aangehouden en inmiddels loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar haar. [minderjarige] is overgebracht naar Nederland, waar zij sindsdien verblijft op een crisisgroep. De GI heeft ervoor gekozen om [minderjarige] te plaatsen binnen een neutrale setting, omdat zij al jaren geen contact heeft met haar vader, er zorgsignalen zijn over haar leefomstandigheden in Spanje en [minderjarige] een zeer negatief beeld van haar vader heeft. Er moet dus eerst zicht komen op haar ontwikkeling en welzijn en aan de hand daarvan dient bezien te worden welke setting het meest passend is voor [minderjarige] . De situatie van [minderjarige] onderzoeken vanuit Spanje, zoals is verzocht door de moeder, is mede gezien de houding van de moeder in de afgelopen jaren volgens de GI geen optie. De GI beseft dat [minderjarige] momenteel in Nederland in een nachtmerrie leeft, maar zij heeft er geen vertrouwen in dat dit onderzoek dan succesvol kan plaatsvinden. De GI begrijpt het als de kinderrechter de termijn van de uithuisplaatsing wil bekorten om zodoende de ontwikkelingen te kunnen opvolgen en om aan de hand hiervan het resterende deel van het verzoek te kunnen beoordelen.
4.2.
De moeder vindt het vooral voor [minderjarige] een verdrietige situatie, die is ontstaan omdat er zorgen zijn ontstaan op basis van veel aannames die niet kloppen en niet op basis van feiten. Het gegeven dat de Spaanse autoriteiten de moeder inmiddels in vrijheid hebben gesteld, bevestigt dit. Volgens de moeder is de vader altijd op de hoogte geweest van de verblijfplaats van de moeder en [minderjarige] . De moeder staat ingeschreven in Spanje en heeft een baan en een stabiel leven aldaar. Zij ontkent stellig te zijn ondergedoken en was niet op de hoogte van de beslissing omtrent de ondertoezichtstelling. De beschikkingen zullen vermoedelijk naar een verkeerd adres zijn gestuurd. Volgens de moeder heeft de vader destijds zijn toestemming verleend voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar Spanje. De vader ontkent dit. Volgens hem zou zijn e-mail gehackt zijn. De vader was op de hoogte van het adres waar de moeder en [minderjarige] al die tijd woonden. Zij heeft hem lange tijd geïnformeerd over [minderjarige] , een reactie bleef echter uit. [minderjarige] is in deze omgeving geworteld, ze spreekt vloeiend Spaans en gaat hier ook naar school en sport. De moeder vindt het heel erg dat [minderjarige] door toedoen van de vader abrupt uit haar vertrouwde omgeving is weggerukt. De vader is nooit in beeld geweest en heeft geen band met [minderjarige] . [minderjarige] geeft duidelijk aan geen contact te willen met hem, eigenlijk al jaren. Dit is absoluut niet ingegeven door de moeder. De moeder ziet geen enkele reden waarom [minderjarige] niet bij haar moeder kan verblijven. [minderjarige] ondervindt schade van de huidige situatie en het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij zo spoedig mogelijk kan terugkeren naar Spanje. De moeder verzoekt dan ook primair om het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen, subsidiair de machtiging voor een korte periode te verlenen met als doel om voor de zomervakantie de gewenste duidelijkheid te verkrijgen.
4.3.
De vader stond op het punt om op vakantie te gaan toen hij het bericht ontving dat de moeder en [minderjarige] in Spanje gevonden waren. Hij is hier heel blij mee. In de afgelopen jaren is de moeder onder de radar gebleven en heeft zij geen openheid gegeven over waar zij al die tijd met [minderjarige] verbleef. Ook heeft zij geen gevolg gegeven aan de rechterlijke uitspraken, zoals het bevel tot terugverhuizing naar Nederland. De moeder heeft al die jaren [minderjarige] bewust van hem weggehouden. De vader heeft ernstige zorgen over de leefomstandigheden van [minderjarige] bij de moeder en het negatieve beeld dat zij naar [minderjarige] over hem heeft geschetst. Hij herkent zich niet in de verhalen die hij hoort en het wordt tijd dat hij ook zijn kant van het verhaal kan vertellen. De vader beseft dat [minderjarige] tijd nodig heeft om hier te wennen. De houding van de moeder in de afgelopen jaren maakt dat de vader er geen vertrouwen in heeft dat de moeder de hulpverlening in Spanje zal toelaten. Het is daarom belangrijk dat [minderjarige] in de neutrale setting in Nederland blijft en dat zij vanuit hier haar school kan oppakken. De vader is bereid om te wachten op [minderjarige] . Hij begrijpt dat [minderjarige] ernstig beschadigd is en dat tijd nodig is om zicht te krijgen op het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader hoopt over een tijdje te kunnen toewerken naar contactherstel met zijn dochter, in welke vorm dan ook. De vader ziet het liefst dat de verzochte machtiging wordt toegewezen voor de gehele duur en anders vanwege de naderende zomervakantie voor de duur van 4 à 5 maanden.
4.4.
[minderjarige] heeft in een afzonderlijk gesprek met de kinderrechter haar mening kenbaar gemaakt. [minderjarige] heeft verteld dat zij verdrietig is en haar moeder enorm mist. [minderjarige] begrijpt niets van de situatie die is ontstaan, waarin zij abrupt is weggerukt uit haar vertrouwde leven. Zij ervaart dit alles als een nachtmerrie en wil zo snel mogelijk naar huis. Haar leven ligt bij haar moeder en stiefvader in Spanje. [minderjarige] spreekt inmiddels vloeiend Spaans en heeft in Spanje veel vriendinnen. Ze gaat er naar school en sport. De moeder en [minderjarige] zijn naar Spanje verhuisd vanwege de gezondheid van haar moeder. Volgens [minderjarige] wist iedereen hiervan af. Vader zou dit ook hebben goed gevonden. Er was dus geen sprake van vermissing of ontvoering. [minderjarige] ziet haar stiefvader als haar vader. Zij heeft negatieve herinneringen aan haar biologische vader en wil dus niets meer met hem te maken hebben. [minderjarige] heeft al acht jaar geen contact met hem en dit heeft ze al meermaals verteld. Ze hoopt dat er eindelijk eens naar haar wordt geluisterd. Het liefst wil ze de achternaam van de vader niet meer dragen. Tot slot benoemt zij dat haar moeder nooit het contact met haar vader heeft tegengehouden. Dit is haar eigen keuze. [minderjarige] hoopt dat de kinderrechter gaat beslissen dat ze terug mag naar haar moeder in Spanje.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden. De belanghebbenden zijn thans in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. De kinderrechter dient in eerste plaats te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 22 april 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Dat betekent dat de spoedbeslissing niet wordt herroepen.
5.2.
Het resterende deel van de verzochte spoedmachtiging zal de kinderrechter afwijzen, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt en het verzoek voor het overige kan worden beoordeeld. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter acht in de huidige omstandigheden het wel aangewezen dat de machtiging in duur wordt beperkt en zal uitleggen waarom hij tot dit oordeel komt.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat er in 2023 een ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat de GI die in dit kader is betrokken het al die tijd niet is gelukt om met de moeder tot een samenwerking te komen. In de afgelopen jaren was niet duidelijk waar de moeder en [minderjarige] verbleven. In samenwerking met de Centrale Autoriteiten is naar hen gezocht, waarbij de moeder wisselende uitspraken heeft gedaan over hun verblijfplaats en zij geen gevolg heeft gegeven aan de rechterlijke uitspraken, waarbij zij onder meer is bevolen om met [minderjarige] terug te verhuizen naar Nederland. Uiteindelijk zijn de moeder en [minderjarige] op 22 april 2026 door de Spaanse politie in Spanje gevonden. De moeder is door de politie aangehouden en [minderjarige] is door de GI opgehaald en overgebracht naar Nederland. Met een daartoe strekkende machtiging is [minderjarige] geplaatst op een neutrale plek, daar de vader al jaren buiten beeld is en [minderjarige] niet openstaat voor contact met hem. Beide ouders kennen tegenstrijdige visies over wat er in de afgelopen jaren heeft afgespeeld. De kinderrechter vindt dat dit eerst inzichtelijk moet worden, zodat er ook zicht komt op het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter vindt gezien de onbereikbare houding van de moeder dat dit onderzoek vanuit Nederland moet plaatsvinden en dat [minderjarige] zolang hier moet blijven. De kinderrechter beseft dat de huidige situatie voor [minderjarige] erg ingewikkeld en ingrijpend is. Zij is abrupt uit haar vertrouwde omgeving gehaald, waar zij enorm boos en verdrietig om is. De kinderrechter begrijpt dit goed en zal daarom de bestaande machtiging voor haar verblijf in Nederland verlengen voor een korte periode, met als doel om zo snel als mogelijk de situatie en de ontwikkelingen opnieuw ter zitting te kunnen beoordelen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal worden verlengd voor de duur van drie maanden. Het resterende deel van het verzoek zal, in afstemming met de verhinderdata van beide advocaten, worden aangehouden tot de zitting van [datum] 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de spoedmachtiging af;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een
gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 mei 2026 tot 6 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan
tot de zitting
van [datum] 2026 te [uur], ten overstaan van mr. De Beer voor de duur van 45
minuten;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting
voor beide ouders en hun advocaten en de GI;
6.6.
bepaalt dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om haar mening te geven;
6.7.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.