Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het bericht met bijlagen van de GI van 21 maart 2026, ontvangen op 24 maart 2026.
2.De feiten
3.Het (resterende) verzoek
4.Het standpunt van de GI
5.De standpunten van belanghebbenden
6.De (nadere) beoordeling
[minderjarige] heeft veel last van de gebeurtenissen uit het verleden en de uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Er bestaat veel onrust in het systeem rondom de beschuldiging van de moeder dat de pleegvader haar seksueel misbruikt heeft in het verleden. Dit in combinatie met de zorgen over het seksuele misbruik van [naam 1] en [naam 2] én daar bovenop het negatieve screeningsadvies maken dat de zorgen over het veiligheid en welzijn van [minderjarige] nog niet volledig zijn weggenomen. [minderjarige] is het afgelopen jaar uitgevallen op school maar is in januari 2026 gestart bij [school] . Bij de pleegouders gaat het goed met [minderjarige] . Hij ontwikkelt zich op een positieve manier. De pleegouders bieden [minderjarige] de structuur die hij nodig heeft.
Hoewel er stappen in de goede richting zijn gezet kan [minderjarige] op dit moment nog niet teruggeplaatst worden bij de moeder. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]
7.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.