ECLI:NL:RBZWB:2026:4780

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447192 / FA RK 26-1954
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens dementie en onhoudbare thuissituatie

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1944, wegens een psychogeriatrische aandoening (Alzheimer). Betrokkene verzet zich tegen opname en ontkent de ziekte, maar de medische verklaring en getuigenverklaringen bevestigen de diagnose en de ernst van haar situatie.

De case-manager dementie en verpleegkundige schetsen een beeld van ernstige verwaarlozing, ondeugdelijke zelfzorg, verstoorde familiebanden en onhoudbare thuissituatie waarbij ambulante zorg al viermaal per dag plaatsvindt en het huishouden feitelijk wordt overgenomen. Betrokkene raakt zelfs de weg kwijt met haar auto.

De rechtbank oordeelt dat opname noodzakelijk is om ernstig lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang te voorkomen. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar omdat de intensieve zorg niet thuis kan worden geboden. De machtiging wordt voor zes maanden verleend, ondanks het verzet van betrokkene.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens dementie en onhoudbare thuissituatie ondanks verzet van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447192 / FA RK 26-1954
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1944 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 15 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , case-manager dementie;
  • mevrouw [persoon 2] , verpleegkundige [hulpverlening] .

2.Het verzoek

2.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene geeft aan dat zij absoluut niet wil worden opgenomen. Zij ontkent Alzheimer te hebben. Naar de mening van betrokkene is zij nog goed genoeg in staat om haar eigen huishouden te runnen. Hierbij komt dat zij met bejaardentehuizen negatieve ervaringen heeft, doordat haar ouders daar beiden zijn overleden.
3.2.
De case-manager dementie brengt naar voren dat zij sinds een jaar bij betrokkene in beeld is. Volgens de case-manager is zij op enig moment ook in contact geraakt met [hulpverlening] , omdat de zelfzorg van betrokkene te zeer te wensen ging overlaten.
Met [hulpverlening] is zich daar op gaan focussen. De case-manager is er meer voor de begeleiding. Op het moment dat de case-manager betrokken raakte was er nog een dochter van betrokkene in beeld. Omdat er zich tussen betrokkene en deze dochter vele conflicten voordeden, heeft de dochter het contact verbroken. Zij kon het niet langer aan.
De case-manager is vervolgens in de (financiële) administratie van betrokkene gedoken. Deze administratie bleek ondeugdelijk te zijn. Sinds kort is voor betrokkene daarom een bewindvoerder aangesteld. Er is voor betrokkene ook dagbesteding geregeld, in eerste instantie voor één dag, momenteel gedurende vier dagen. Ook van de beheerster van de dagbesteding zijn er zorgelijke signalen gekomen, zoals dat betrokkene daar het toilet niet meer kan vinden en dat haar hygiëne niet altijd op orde is. Vanuit de dagbesteding wordt nu aangegeven dat het hen teveel wordt en zij buiten hun kaders moeten handelen. Zeer onlangs is betrokkene met haar auto gaan rijden en was ze ook in de buurt de weg kwijt.
3.3.
De verpleegkundige geeft aan dat zij betrokkene viermaal per dag bezoeken en dat zij het gehele huishouden van betrokkene runnen. Indien die zorg zou uitblijven, zou betrokkene verblijven in een sterk vervuilde woning, zou het vuilnis niet worden opgehaald en zou betrokkene geen voedsel in huis hebben, want zelf gaat betrokkene niet meer naar de supermarkt. Naar de mening van de verpleegkundige gaan zij met de huidige zorg die zij aan betrokkene bieden al ver over hun kaders heen en is die situatie niet langer houdbaar.
Een vangnet van huishoudelijke hulp of vanuit de dochters is er niet (meer). De verpleegkundige bevestigt dat betrokkene onlangs met haar auto de weg was kwijtgeraakt.
3.4.
De advocaat voert aan dat betrokkene zich niet herkent in het geschetste beeld en dat zij niet wil worden opgenomen in een verpleeghuis. De advocaat zelf stelt vast dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek. De advocaat stelt voorts vast dat betrokkene zich tegen het verzoek verzet. Om die reden verzoekt de advocaat het verzoek af te wijzen.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
De rechtbank is, op grond van de overgelegde stukken, in het bijzonder de medische verklaring, en de behandeling ter zitting, van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie van het type Alzheimer.
De enkele ontkenning van betrokkene dat zij ziek is, geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de in de medische verklaring gestelde aandoening.
4.3.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat betrokken niet meer in staat is om adequaat zelfstandig een huishouden te runnen. Daarbij laat de zelfzorg, hygiëne en het vocht- en voedingspatroon van betrokkene te zeer te wensen over. Ook raakt betrokkene soms (met de auto) de weg kwijt. Buurtbewoners moeten betrokkene dan weer thuisbrengen.
Schrijnend is ook dat vanwege haar gedrag voortkomend uit haar aandoening het contact tussen haar en haar beide dochters verstoord en zelfs geheel verbroken is geraakt.
4.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Zij wil thuis blijven wonen.
4.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De rechtbank betrekt hierbij dat opschaling van zorg aan betrokkene niet langer tot de mogelijkheden behoort. Zo heeft op dit moment [hulpverlening] feitelijk het gehele huishouden van betrokkene overgenomen. Zij komen al viermaal per dag langs. Daarmee is deze ambulante zorg al (te) ver over haar kaders heengegaan. Die zorg kan niet langer zo worden voortgezet. De noodzakelijke zorg die betrokkene nodig heeft is dusdanig intensief dat 24-uurs nabijheid nodig is, hetgeen in de thuissituatie niet realiseerbaar is.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1944 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 30 oktober 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.