ECLI:NL:RBZWB:2026:4781

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445781 / KG ZA 26-114
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 265 RvArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening vervangende toestemming verhuizing en voorlopige zorgregeling minderjarigen na beëindiging relatie

De zaak betreft een kort geding tussen een vrouw en een man, beiden met Poolse nationaliteit, die gezamenlijk het gezag hebben over twee minderjarige kinderen. Na beëindiging van hun relatie in juli 2025 wonen zij nog samen met de kinderen in een woning die eigendom is van de man. De vrouw wil met één van de minderjarigen verhuizen naar een huurwoning in een andere plaats, ongeveer 22 kilometer verderop, maar de man weigert toestemming te geven.

De vrouw vordert vervangende toestemming voor de verhuizing, toewijzing van één minderjarige aan haar, en vaststelling van een voorlopige zorgregeling. De man verzet zich tegen de verhuizing en vordert een verbod met dwangsom, maar stemt in met een gelijkwaardige zorgverdeling en toewijzing van de andere minderjarige aan hem.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij de verhuizing vanwege de spanningen in de huidige woonsituatie en de noodzaak om de huurwoning te behouden. De verhuizing is doordacht en voorbereid, met maatregelen om het contact tussen de man en de kinderen te waarborgen. Daarom wordt vervangende toestemming verleend voor de verhuizing met één minderjarige.

Verder wordt een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de zorg- en opvoedingstaken gelijkwaardig worden verdeeld, met een schema dat rekening houdt met de jonge leeftijd van de kinderen en het belang van hechting. De vakanties en feestdagen worden gelijk verdeeld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vrouw krijgt vervangende toestemming om met één minderjarige te verhuizen en er wordt een voorlopige gelijkwaardige zorgregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445781 / KG ZA 26-114
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [plaats 1] , gemeente Altena,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [plaats 1] , gemeente Altena,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. D. Abd Rabou te Hoofddorp.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 maart 2026 met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie,
van 14 april 2026;
- de aanvullende producties van mr. Kocabas-Güler van 16 april 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de hierna te noemen minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting van 16 april 2026 zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal, en de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Poolse taal. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een stagiaire van mr. Abd Rabou, mevrouw [persoon] .
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben de Poolse nationaliteit.
2.2.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022, hierna te noemen [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023, hierna te noemen [minderjarige 2] .
2.3.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.4.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.5.
De relatie tussen partijen is in juli 2025 beëindigd. Zij verblijven momenteel nog gezamenlijk met de minderjarigen in een woning te [plaats 1] .
2.6.
Op 13 april 2026 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/447065 / FA RK 26-1873) strekkende tot toewijzing
van gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] , alsmede tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de
minderjarigen en van een zorgregeling.

3.Het geschil in conventie en reconventie

Standpunt van de vrouw
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 en de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023, voorlopig toe te vertrouwen aan de vrouw;
II. De vrouw vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de man vervangt om met voornoemde minderjarigen te verhuizen naar de woning gelegen aan de [adres] te [plaats 2] ;
III. De vrouw vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van man vervangt, om voornoemde minderjarigen in te schrijven op het nieuwe adres in [plaats 2] en alle daarmee samenhangende administratieve handelingen te verrichten;
IV. Tussen de man en de minderjarigen een voorlopige zorgregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarigen passend acht;
V. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw geeft aan dat inmiddels door partijen wordt erkend dat zij beiden zijn belast met het gezamenlijk gezag over beide minderjarigen. De affectieve relatie tussen partijen is sinds juli 2025 beëindigd. Sindsdien is er sprake van een onrustige thuissituatie. Partijen wonen nog samen in de woning waarin zij tijdens de relatie al verbleven. Deze woning is eigendom van de man. Tussen partijen is sprake van spanningen en verbale ruzies in de thuissituatie, wat schadelijk is voor het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarigen. Veilig Thuis is in oktober 2025 betrokken geraakt en heeft partijen doorverwezen naar [hulpverlening 1] . Partijen zijn vervolgens aangemeld voor ouderschapsbemiddeling. De man heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat de vrouw de voormelde woning dient te verlaten, omdat de woning verkocht gaat worden. De man is de woning al aan het renoveren voor de verkoop. Dit alles leidt tot teveel spanningen bij de vrouw. Zij is daarom op zoek gegaan naar een eigen woonruimte. Zij wil graag haar eigen leven inrichten. Birdnesting is niet in het belang van de minderjarigen, omdat dit op dit moment voor hen een grote verandering zou zijn, terwijl er nog een grote verandering zal komen vanwege de verhuizing van de vrouw.
3.3.
De vrouw was al langere tijd op zoek naar een eigen woning. Eerder heeft zij een aanbod voor een woning op 50 kilometer afstand van de huidige woonplaats, in overleg met de man, afgeslagen. Op 14 januari 2025 heeft de vrouw middels loting een huurwoning in [plaats 2] toegewezen gekregen, op 22 kilometer afstand van [plaats 1] . Het is de vrouw niet gelukt om een huurwoning in [plaats 1] of elders in de gemeente Altena te vinden. Zij heeft getracht om in onderling overleg met de man tot afspraken te komen over de minderjarigen, echter heeft dit niet tot enig resultaat geleid. Het voortduren van de huidige situatie brengt spanningen en conflicten, zoals ruzies, met zich mee. Dit is niet in het belang van de minderjarigen. Daarnaast dreigt de vrouw de huurwoning te verliezen, indien er pas in de bodemprocedure zal worden beslist over de verhuizing. Met de huidige woningmarkt komt de vrouw dan in een ongewenste situatie terecht. Verder zal de vrouw na de verhuizing de primaire verzorgende ouder blijven, zoals tijdens en na de relatie van partijen ook het geval is geweest en nog steeds is. Daarnaast blijven de minderjarigen gebruik maken van dezelfde kinderopvang en [minderjarige 1] zal starten op een basisschool in de gemeente Altena, waar hij al wenmomenten heeft gehad. De reistijd tussen de huidige woning en de nieuwe woning bedraagt namelijk circa 25 minuten. De werkgever van de vrouw heeft bevestigd akkoord te gaan met aanpassing van de werktijden van de vrouw, indien dat nodig is, waardoor de vrouw in staat is om de minderjarigen naar school/opvang te brengen en op te halen. De minderjarigen blijven hierdoor in hun vertrouwde omgeving. Ook belemmert de verhuizing het huidige contact tussen de man en de minderjarigen niet. De vrouw zal het contact faciliteren en zich daarvoor actief in blijven zetten.
3.4.
De vrouw stelt voor dat de man de minderjarigen voorlopig in de ene week op woensdag ophaalt van school/opvang en hij hen op donderdag weer naar school/opvang brengt, waarbij de vrouw hen op donderdag na school/opvang weer ophaalt. In de daaropvolgende week verblijven de minderjarigen van woensdag na school/opvang tot zondag 18:00 uur bij de man, waarbij de vrouw hen op zondag ophaalt bij de man. De vrouw acht de door de man voorgestelde co-ouderschapsregeling niet in het belang van de minderjarigen, gelet op hun jonge leeftijd, de recente escalaties en de noodzaak van stabiliteit en voorspelbaarheid. Om co-ouderschap vorm te geven is er eerst hulpverlening nodig, die pas recent is gestart. De vrouw kan instemmen met het advies van de Raad om [minderjarige 1] aan de man toe te vertrouwen en [minderjarige 2] aan haar, als beide minderjarigen samen bij de man of de vrouw verblijven. De vrouw is geen voorstander van birdnesting.
Standpunt van de man
3.5.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot:
I. afwijzing van die vorderingen.
3.6.
In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
II. de vrouw te veroordelen zich te onthouden van het verhuizen met de minderjarigen
buiten de huidige woonplaats [plaats 1] zonder toestemming van de man;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan de man van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij in strijd handelt met het onder II. gevorderde, met een
maximum van € 10.000,-.
3.7.
Als voorwaardelijke eis in reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
IV. te bepalen dat de minderjarigen voorlopig afwisselend één week bij ieder van de ouders verblijven, met als overdrachtsmoment vrijdag na school/opvang;
V. te bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
VI. althans een zodanige voorlopige regeling te treffen als de voorzieningenrechter in
goede justitie juist acht.
3.8.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. De man erkent dat beide partijen belast zijn met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen. De hierop op [minderjarige 2] betrekking hebbende verzoek van de man in de bodemprocedure zal dan ook worden ingetrokken. De vrouw heeft geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. Partijen hebben op 25 oktober 2025 in aanwezigheid van de minderjarigen ruzie gehad, maar verder hebben zich geen incidenten voorgedaan. Er zijn weleens andere ruzies geweest, maar de minderjarigen hebben daar geen last van gehad. Indien partijen ruzie hebben doen zij dat namelijk waar de minderjarigen niet bij zijn. Verder verdelen partijen de zorgtaken onderling. Er is daarom geen sprake van een structureel onveilige of onhoudbare situatie. Daarnaast zal [hulpverlening 2] op korte termijn starten. [hulpverlening 2] gaat partijen begeleiden bij de onderlinge communicatie en het maken van afspraken over de minderjarigen. De man betwist dat de vrouw van hem uit zijn woning weg moet. Hij gaat de woning niet verkopen en blijft daar wonen. Renovatie van de badkamer gebeurt dan ook niet met het oog op het verkoop klaar maken van de woning. De man heeft verder niet nagedacht over de mogelijkheid tot birdnesting en zou daarvoor eerst moeten kijken of hij tijdelijk ergens anders zou kunnen verblijven, zoals bij één van zijn twee zussen die ook in [plaats 1] wonen. De vrouw en de minderjarigen kunnen met de man, in zijn woning, in [plaats 1] blijven, in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure. Daarnaast heeft de vrouw de man pas op de hoogte gebracht van de nieuwe woning, toen zij de woning al toegewezen had gekregen. De man wist niet dat zij al bezig was met het zoeken van een andere woning. Verder lenen de vorderingen van de vrouw zich niet voor een beoordeling in een kort geding, omdat toewijzing hiervan ingrijpende gevolgen heeft voor de minderjarigen en het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Er is al een bodemprocedure aanhangig en er is geen acute noodzaak om daarop vooruit te lopen. De vrouw mag wel alleen verhuizen.
3.9.
Partijen wonen nog samen en delen de zorg voor de minderjarigen, waardoor het ook niet nodig is om een voorlopige zorgregeling vast te stellen. De man heeft steeds een substantiële en actieve rol vervuld in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De man wil deze rol behouden. De man komt bij toewijzing van de vorderingen van de vrouw echter op afstand te staan van het dagelijks leven van de minderjarigen, wat afbreuk doet aan de huidige gelijkwaardige betrokkenheid van partijen.
3.10.
De man wil dat de bestaande situatie behouden wordt. Zo wil hij onder andere dat de minderjarigen op de huidige school/opvang blijven. Om te voorkomen dat er een onomkeerbare wijziging wordt aangebracht in de situatie, vordert de man een verbod voor de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen. Er is een reëel risico dat de vrouw op korte termijn feitelijk tot verhuizing overgaat, nu zij zonder overleg reeds een woning in [plaats 2] heeft geaccepteerd. De voorgenomen verhuizing brengt ingrijpende veranderingen met zich mee voor de minderjarigen, terwijl de praktische gevolgen van de verhuizing nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Zo is het nog niet duidelijk hoe de vrouw de minderjarigen tijdig van school/opvang zal ophalen en hoe zij de dagelijkse zorg voor de minderjarigen zal vormgeven.
3.11.
Indien de vervangende toestemming tot verhuizing van de vrouw wordt verleend, wil de man graag dat er sprake is van een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen tussen partijen. Hij wil in dat geval dat [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de man en dat [minderjarige 2] wordt toevertrouwd aan de vrouw, waarbij beide minderjarigen tegelijkertijd bij de man of de vrouw verblijven. De man vordert daarbij te bepalen dat de minderjarigen afwisselend één week bij één van de partijen verblijven, met als overdrachtsmoment vrijdag na school/opvang. De man kan in de week dat de minderjarigen bij hem verblijven later beginnen op zijn werk. Ook vordert de man te bepalen dat vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. Met deze regeling behouden de minderjarigen regelmatig en structureel contact met beide ouders en blijft de betrokkenheid van beide ouders zoveel mogelijk behouden. De zorgregeling die de vrouw voorstelt heeft te weinig structuur om de werktijden van de man aan de regeling aan te kunnen passen.
3.12.
Op de stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Nu beide partijen de Poolse nationaliteit hebben wordt allereerst het volgende overwogen. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Op grond van artikel 265 Rv Pro is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu de minderjarigen hun woonplaats hebben in het arrondissement van deze rechtbank.
4.2.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op vorderingen over de minderjarigen te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op de vraag worden toegepast.
Gezamenlijke behandeling van de vorderingen
4.3.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
4.4.
De vrouw heeft het voornemen om met de minderjarigen naar [plaats 2] te verhuizen. Voorafgaand aan deze verhuizing heeft zij toestemming van de man nodig. Als partijen hierover geen overeenstemming weten te bereiken, zoals nu het geval is, kan over een geschil als dit in kort geding worden beslist, indien de zaak onder meer voldoende spoedeisend is. De voorzieningenrechter stelt vast dat er in dit geval sprake is van voldoende spoedeisend belang. De relatie tussen partijen is sinds juli 2025 beëindigd. Op dit moment wonen partijen samen met de minderjarigen in de woning, die eigendom is van de man. De huidige situatie, te weten het samenwonen van partijen, is wegens de beëindiging van hun relatie en de spanningen die dit met zich meebrengt niet wenselijk. Zo is er sprake van ruzies tussen partijen, waarbij de minderjarigen soms getuige van zijn. Daarnaast is niet te voorspellen hoelang deze situatie zal voortduren. Het ligt daarom voor de hand dat de vrouw een zelfstandige woonruimte is gaan zoeken. In januari 2026 heeft zij een huurwoning toegewezen gekregen, die zij heeft geaccepteerd. Op 14 januari 2026 heeft zij het huurcontract ondertekend. De vrouw wenst zo snel mogelijk naar deze woning, die inmiddels klaar is om te worden bewoond, te verhuizen. In dit kader is mede van belang dat de vrouw haar huurwoning kan verliezen, indien zij niet binnen een redelijk te achten termijn naar deze woning zal verhuizen. Nu deze woning inmiddels bewoonbaar is gemaakt en de verhuizing op korte termijn kan worden geregeld en de man niet onvoorwaardelijk toestemming geeft voor de voorgenomen verhuizing van de vrouw met de minderjarigen, heeft de vrouw een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Dit betekent dat de vrouw ontvankelijk is in haar vorderingen.
Standpunt van de Raad
4.5.
De Raad heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het is enorm complex voor de vrouw om een andere woning te vinden in de huidige gespannen woningmarkt. De vrouw zal niet kunnen ontkomen aan het verhuizen naar een woning op enige reisafstand van de huidige woonplaats. De Raad adviseert de voorzieningenrechter om aan elke partij één van de minderjarigen toe te vertrouwen en vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van één van de minderjarigen, om aldus te zorgen voor een gelijkwaardige verdeling van de zorg over de minderjarigen tussen partijen. Verder adviseert de Raad voorlopig een gelijkwaardige zorgregeling vast te stellen, nu partijen het daar in grote lijnen met elkaar over eens zijn. Een week-op-week-afregeling is, gelet op de leeftijd van de minderjarigen, niet in hun belang, omdat het voor hun hechting van belang is dat zij voldoende tijd met beide ouders kunnen doorbrengen. De Raad adviseert daarom voorlopig een regeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen de ene week op maandag en dinsdag bij de vrouw verblijven, op woensdag en donderdag bij de man en vrijdag tot en met zondag bij de vrouw. De andere week wordt de regeling dan omgedraaid.
4.6.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die hij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
4.7.
Op grond van lid 5 van artikel 1:253a BW dient de voorzieningenrechter, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen partijen te beproeven. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat een minnelijke regeling tussen hen niet mogelijk was.
4.8.
Partijen hebben ter zitting erkend dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over beide minderjarigen. De Raad en de voorzieningenrechter onderschrijven dit standpunt.
4.9.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het tussen partijen niet in geding is dat zij thans met de minderjarigen gezamenlijk verblijven in een woning in [plaats 1] , gemeente Altena, die eigendom van de man is. De relatie tussen hen is in juli 2025 beëindigd. De vrouw heeft inmiddels de beschikking over een ongeveer 22 km verderop gelegen huurwoning in [plaats 2] . De man weigert om de vrouw toestemming te geven om met de minderjarigen naar die woning te verhuizen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en een op hen betrekking hebbende ouderschapsplan moeten nog worden vastgesteld. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een kortgedingprocedure zich niet gemakkelijk leent voor de beoordeling van verhuiszaken. In deze procedure acht de voorzieningenrechter wel wenselijk om, gezien voormelde feiten en/of omstandigheden, in elkaars verband bezien, een oordeel te geven over de vordering van de vrouw over de vervangende toestemming om te mogen verhuizen en de overige vorderingen van beide partijen. Dit oordeel heeft het karakter van een ordemaatregel.
4.10.
De Hoge Raad heeft bepaald waar de rechter onder andere naar moet kijken bij een verzoek tot verhuizing. Dat is bijvoorbeeld in het voormelde arrest en het arrest HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:487). De rechter hoeft alleen naar die punten te kijken, die op de vordering van toepassing zijn.
4.11.
Op 13 april 2026, derhalve kort voor de zittingsdatum, is de man tegen de vrouw een bodemprocedure met voormeld zaaknummer gestart, waarbij hij, voor zover thans van belang, de rechtbank verzoekt, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem en die van [minderjarige 2] bij de vrouw vast te stellen. Tevens verzoekt de man om vaststelling van een zorgregeling, waarbij wordt uitgegaan van co-ouderschap.
Vervangende toestemming verhuizing en toevertrouwing van de minderjarigen
4.12.
Conform vaste jurisprudentie dient de voorzieningenrechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:
- het recht van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
4.13.
De verbreking van een affectieve relatie tussen twee personen, waarbij er sprake is van samenwoning, heeft het logisch gevolg dat zij los van elkaar willen gaan wonen. In dit geval heeft de vrouw uitdrukkelijk aangegeven die wens te hebben. Nu de man in de huidige woning, die zijn eigendom is, wil blijven, is het aan de vrouw om zo snel mogelijk een eigen woning te vinden. Er is dan ook een noodzaak om te verhuizen, mede omdat het gezamenlijk verblijf in dezelfde woning voor in ieder geval de vrouw te veel spanningen oplevert. De vrouw heeft inmiddels de beschikking over een woning, die ongeveer 22 km verderop is gelegen, met een reistijd van ongeveer 25 minuten. Volgens de vrouw is een huurwoning in [plaats 1] of elders in de gemeente Altena niet mogelijk gebleken. De man wil niet dat de vrouw verhuist naar een woning buiten [plaats 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat het met de huidige complexe woningmarkt erg ingewikkeld is om snel en gemakkelijk een andere woonruimte te vinden. Het standpunt van de man dat de vrouw in [plaats 1] , zijnde een dorp met ongeveer 1.000 inwoners, blijft wonen is daarom niet reëel en is het te begrijpen dat de vrouw verder in de omgeving van [plaats 1] is gaan zoeken naar een woonruimte. Zij heeft uiteindelijk een huurwoning toegewezen gekegen in [plaats 2] , één van de grote plaatsen in de directe omgeving van [plaats 1] . De voorzieningenrechter acht de afstand en de reistijd tussen [plaats 1] en [plaats 2] acceptabel voor partijen en de minderjarigen. De vrouw heeft toegezegd de omgang tussen de man en de minderjarigen te zullen faciliteren in het geval dat zij zal verhuizen. Daarnaast heeft de vrouw toegezegd dat de minderjarigen in het geval van een verhuizing naar de de school/opvang in de gemeente Altena zullen blijven gaan. Aldus is de verhuizing doordacht, goed voorbereid en is een en ander voor de man verzacht en gecompenseerd. Voor de minderjarigen leidt de nieuwe situatie wel tot een verhuizing, maar wel dat zij naar dezelfde school/omgang blijven gaan. Aldus blijven zij deels in hun vertrouwde omgeving. De voorzieningenrechter is, mede gelet op het voorgaande, van oordeel dat het in het belang is van de minderjarigen dat de vrouw over een eigen woonruimte beschikt en dat het daarom voor de vrouw mogelijk moet zijn om, met (één van) de minderjarigen, te kunnen verhuizen naar de voormelde woning in [plaats 2] . De vordering van de vrouw met betrekking tot verlening van vervangende toestemming om te mogen verhuizen zal dan ook worden toegewezen.
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat er in het geval van een verhuizing sprake moet zijn van een (ongeveer) gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen tussen partijen. De voorzieningenrechter acht het met de Raad en met partijen van belang om een zo evenwichtig mogelijke verdeling van de zorg- en opvoedingsverantwoordelijkheid tussen partijen te waarborgen, waarbij ieder van de partijen zorg draagt voor één van de minderjarigen, omdat zij beiden een kind hebben dat op hun adres is ingeschreven. Partijen hebben hierbij uitgesproken dat zij kunnen instemmen met een toevertrouwing van [minderjarige 2] aan de vrouw. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar zal toewijzen en dat de vordering tot voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 1] aan haar zal afwijzen. Nu alleen [minderjarige 2] zal worden toevertrouwd aan de vrouw, zal de voorzieningenrechter vervangende toestemming verlenen aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, om met [minderjarige 2] te verhuizen naar de voormelde woning in [plaats 2] en [minderjarige 2] op dit nieuwe adres in te schrijven.
4.15.
Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat ter zitting door de man en de Raad is gesproken over het toevertrouwen van [minderjarige 1] aan de man. Een hierop betrekking hebbende vordering ligt echter niet voor. Daarom zal over dit onderwerp geen beslissing worden gegeven.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter de vordering van de man om de vrouw te verbieden te verhuizen met de minderjarigen buiten [plaats 1] en de daaraan verbonden dwangsom zal afwijzen.
Voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
4.17.
Nu zal worden beslist dat de vrouw met vervangende toestemming van de voorzieningenrechter met [minderjarige 2] mag verhuizen naar [plaats 2] , acht de voorzieningenrechter het van belang dat er een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld tussen partijen. Tijdens de zitting is gebleken dat het niet mogelijk was voor partijen om tot overeenstemming te komen over een zorgregeling en dat zij beiden geen birdnesting wensen. Daarbij is aan de voorzieningenrechter verzocht om een beslissing te nemen. Hij acht het, in lijn met het advies van de Raad en met de wens van partijen, van belang dat er voorlopig een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. Mede gelet op de jonge leeftijd van de minderjarigen is het tevens van belang dat zij zij telkens een aantal dagen bij een ouder verblijven om langdurige periodes zonder contact met de andere ouder te voorkomen. Dit bevordert de hechting van de minderjarigen met beide ouders. Ook is het van belang dat de minderjarigen bij beide partijen een weekend per veertien dagen verblijven, omdat in het weekend vaak meer tijd en ruimte is voor ontspanning en een andere activiteiten/een andere vorm van contact dan doordeweeks. Verder wordt van belang geacht dat beide minderjarigen tegelijkertijd bij één van de partijen verblijven. De wisselmomenten zullen plaatsvinden via school/opvang, om ervoor te zorgen dat deze momenten zo onbelast mogelijk plaatsvinden. De voorzieningenrechter zal daarom de volgende
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen:
Ochtend
Middag
Avond
Even weken
Maandag
Man
Vrouw
Vrouw
Dinsdag
Vrouw
Vrouw
Vrouw
Woensdag
Vrouw
Man
Man
Donderdag
Man
Man
Man
Vrijdag
Man
Vrouw
Vrouw
Zaterdag
Vrouw
Vrouw
Vrouw
Zondag
Vrouw
Vrouw
Vrouw
Oneven weken
Maandag
Vrouw
Man
Man
Dinsdag
Man
Man
Man
Woensdag
Man
Vrouw
Vrouw
Donderdag
Vrouw
Vrouw
Vrouw
Vrijdag
Vrouw
Man
Man
Zaterdag
Man
Man
Man
Zondag
Man
Man
Man
waarbij de ouder, waar de minderjarigen op dat moment bij verblijven, de minderjarigen naar school/opvang brengt of de minderjarigen van school/opvang ophaalt. Als de minderjarigen naar de andere ouder gaan, dan dient de ouder waar wie zij toegaan, hen op te halen op school/opvang. Indien er geen sprake is van school/opvang, dan dient de ouder waar de minderjarigen op de desbetreffende wisseldag naar toe gaan, hen op te halen bij de ouder waar zij op dat moment verblijven. Over de tijdstippen van het brengen en het ophalen dienen partijen met elkaar nadere afspraken te maken.
4.18.
Verder zal de voorzieningenrechter gelet op het voorgenoemde de vordering van de man onder V. toewijzen en bepalen dat de vakanties en de feestdagen voorlopig bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld. Ter zitting is door de vrouw tegen deze vordering geen onderbouwd verweer gevoerd. De concrete verdeling dienen partijen in onderling overleg te doen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.19.
De voorzieningenrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze beslissing moet worden nageleefd, ook als hoger beroep wordt ingesteld.
Restvorderingen
4.20.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat tijdens de zitting nog met partijen is besproken of het in het kader van de bodemprocedure wenselijk is dat zij worden verwezen naar een traject van het uniform hulpaanbod of naar de Raad voor het doen van onderzoek. Ten aanzien van deze beide mogelijkheden hebben partijen aangegeven geen gebruik te willen maken.
Proceskosten
4.21.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.22.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
In conventie en in reconventie:
5.1.
bepaalt dat [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023, voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd;
5.2.
verleent de vrouw vervangende toestemming, ter vervanging van de toestemming van de man, om met [minderjarige 2] te verhuizen naar de woning gelegen aan de [adres] te [plaats 2] ;
5.3.
verleent de vrouw toestemming, ter vervanging van de toestemming van de man, om [minderjarige 2] in te schrijven op het voormelde adres in [plaats 2] en alle daarmee samenhangende administratieve handelingen te verrichten;
5.4
stelt de volgende voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vast, zoals beschreven in rechtsoverweging 4.17, onder de aldaar vermelde condities;
5.5.
bepaalt dat de vakanties en feestdagen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026, in tegenwoordigheid van mr. van Noort, griffier.