ECLI:NL:RBZWB:2026:4783

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447575 / JE RK 26-719
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen bij andere ouder wegens acute onveiligheid

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij de vader, de andere ouder met gezag. De kinderen waren eerder onder toezicht gesteld vanwege zorgen over hun welzijn.

De GI bracht naar voren dat de kinderen zorgelijke uitspraken deden over de thuissituatie bij de moeder en haar stiefvader, waaronder blootstelling aan ongewenst gedrag en lichamelijk geweld. De jeugdbeschermer constateerde letsel bij een van de kinderen. De GI verzocht daarom met spoed om uithuisplaatsing bij de vader, wat reeds bij beschikking van 23 april 2026 was toegekend voor een korte periode.

De moeder ontkent de aantijgingen en uitte haar verdriet en bezorgdheid. De vader ondersteunt het verzoek en benadrukt de veiligheid en het herstel van de kinderen. De kinderrechter oordeelt dat de spoedmachtiging niet wordt herroepen en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege de acute onveiligheid en het lopende politieonderzoek.

De machtiging wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 18 juni 2026, met het verzoek aan de GI om begeleid contact tussen moeder en kinderen te onderzoeken. De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen bij de vader wordt verlengd tot 18 juni 2026 wegens acute onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447575 / JE RK 26-719
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.G.A. Mattheussens uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 23 april 2026 en de daarin opgenomen stukken;
  • de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de vader;
  • de door mr. Mattheussens ter zitting overgelegde risico-inventarisatie.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder (via Teams) met haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 18 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van
de GI met ingang van 18 juni 2024 en tot 18 juni 2025. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd bij beschikking van 16 juni 2025, met ingang van 18 juni 2025 en tot 18 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de kinderrechter zonder daaraan voorafgaand de belanghebbenden te horen en onder aanhouding van het restantverzoek een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 23 april 2026 en tot 7 mei 2026.
2.4.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt:
  • op grond van artikel 1:265b BW een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van vier weken;
  • aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de
ondertoezichtstelling;
- de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van
belanghebbenden;
- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking van 23 april 2026 reeds deels beslist op dit verzoek. Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de reeds verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden moet worden herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 7 mei 2026 en tot 18 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat [minderjarige 1] begin dit jaar zorgelijke uitspraken naar de jeugdbeschermer heeft gedaan over de thuissituatie van de moeder. [minderjarige 1] heeft verteld dat zowel zij als haar broer [minderjarige 2] bij de moeder en de stiefvader, die beiden bloot zijn, in bed moeten liggen. Daarnaast vindt zij het niet fijn dat de stiefvader de badkamer binnen komt lopen als zij aan het douchen is. Naar aanleiding van dit gesprek zijn met de moeder veiligheidsafspraken gemaakt. Op 23 april 2026 heeft de jeugdbeschermer opnieuw gesproken met [minderjarige 1] en zijn er zorgen ontstaan over de acute onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij moeder. Volgens [minderjarige 1] doet de stiefvader haar pijn; hij heeft haar met een riem geslagen en zijn handen om haar keel gedaan. De jeugdbeschermer heeft tijdens dit gesprek letsel geconstateerd om haar been en nek in de vorm van een blauwe plek en een striem. Ondanks de veiligheidsafspraken vertelt [minderjarige 1] dat ze nog steeds bij moeder en stiefvader in bed ligt als zij bloot zijn en dat zij soms de stiefvader moet masseren. Volgens [minderjarige 1] mag zij dit alles eigenlijk niet vertellen van haar moeder en stiefvader. Ook [minderjarige 2] heeft tegen een andere jeugdbeschermer zorgelijke dingen verteld die lijken op wat [minderjarige 1] heeft verteld. Naar aanleiding hiervan zijn er zorgen ontstaan over de acute onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie van moeder op seksueel gebied, maar ook lichamelijk en mentaal. De GI vindt dat de kinderen per direct in veiligheid moeten worden gebracht en heeft daarom op 23 april 2026 de kinderrechter verzocht om met spoed [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te mogen plaatsen. De GI handhaaft het verzoek voor de resterende periode tot einde van de ondertoezichtstelling op 18 juni 2026. Afgelopen weekend is het politieonderzoek gestart. De politie heeft tot nu alleen het letsel van [minderjarige 1] onderzocht. De komende periode zal dit zijn vervolg krijgen. De kinderen verblijven op dit moment bij de vader. Het gaat goed met hen. Het is in hun belang om hun veiligheid te borgen en dat zij de komende tijd op grond van een daartoe strekkende machtiging bij de vader kunnen blijven. Sinds de uithuisplaatsing heeft er geen contact plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen. De GI begrijpt de behoefte van de moeder aan contact en volgens de vader vragen de kinderen hier ook om. De GI zal de mogelijkheden voor begeleid contact onderzoeken.
4.2.
De moeder is erg overvallen door alle ontwikkelingen. De moeder is erg verdrietig en verbaasd over wat er volgens de kinderen heeft plaatsgevonden. De moeder ontkent wat volgens [minderjarige 1] in bed gebeurd zou zijn. Tevens controleert zij de kinderen altijd op blauwe plekken. De moeder heeft niets van dit alles gemerkt en vindt het heel erg dat een kind tot dergelijke verstrekkende uitspraken komt. Zij maakt zich hier ernstige zorgen om. Zij wil graag weten waar het vandaan komt en hoopt dat er zo spoedig mogelijk onderzoek naar gedaan wordt. De moeder mist haar kinderen enorm en wil heel graag dat zij terug naar huis komen, maar begrijpt dat de kinderen in deze omstandigheden elders geplaatst zijn. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter ten aanzien van het resterende deel van het verzoek. Tot slot benoemt de moeder dat zij graag in contact wil blijven met haar kinderen, desnoods onder begeleiding. De moeder mist haar kinderen enorm. Daarnaast gebeurt er op dit moment veel met de kinderen en als zij hun moeder lange tijd niet zien, kan dit bij hen aanleiding geven tot bepaalde gedachten.
4.3.
De vader is erg geschrokken van de uitspraken die de kinderen hebben gedaan, ook al heeft hij al langere tijd zorgen. Duidelijk is nu dat de kinderen enorm klem hebben gezeten. De kinderen durven zich eindelijk open te stellen over de situatie. Dit heeft ertoe geleid dat de kinderen sinds 22 april jl. bij hem zijn geplaatst. De vader en zijn partner hebben alles in het werk gesteld om de kinderen op te vangen, zonder te oordelen of vragen te stellen over de gebeurtenissen in de thuissituatie van de moeder. De vader merkt dat de volle emmer die de kinderen naar de vader meebrachten langzaam aan begint te legen. Deze verandering ziet de vader terug in de tekeningen van de kinderen, die voorheen voornamelijk gingen over geweld en bloed en nu steeds meer kinderlijke taferelen bevatten. De kinderen vertellen uit zichzelf steeds meer over het verloop in de thuissituatie van de moeder en het grensoverschrijdende gedrag van de stiefvader. De vader staat achter het verzoek van de GI om de kinderen bij hem te laten verblijven. De enige prioriteit van de vader is de veiligheid van de kinderen en hun herstel. De vader staat achter het contact tussen de kinderen en de moeder, maar gezien de ernst van de verhalen dient dit onder begeleiding plaats te vinden. Daarnaast hoopt hij dat er zo spoedig mogelijk gespecialiseerde hulp voor de kinderen wordt ingezet om hen te helpen deze nare periode te verwerken.

5.De nadere beoordeling

5.1
Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden. De belanghebbenden zijn thans in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. De kinderrechter dient te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 23 april 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is. Dat betekent dat de spoedbeslissing niet wordt herroepen.
5.2.
Het resterende deel van de verzochte spoedmachtiging zal de kinderrechter
afwijzen, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt en het verzoek voor het overige
kan worden beoordeeld. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] langer noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal uitleggen waarom hij tot dit oordeel komt.
5.3.
De kinderrechter concludeert dat er al langere tijd zorgen zijn over het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er zijn eerder al veiligheidsafspraken gemaakt naar aanleiding van zorgelijke uitspraken van [minderjarige 1] over haar thuissituatie bij de moeder en de stiefvader. Op 23 april 2026 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdbeschermer en [minderjarige 1] , - en tussen [minderjarige 2] en een andere jeugdbeschermer - waaruit de GI heeft geconcludeerd dat de veiligheidsafspraken niet worden opgevolgd en er ernstige zorgen zijn ontstaan over acute onveiligheid van beide kinderen in de opvoedsituatie van de moeder op seksueel, lichamelijk en mentaal gebied. Gezien de ernst van de zorgen zijn de kinderen diezelfde dag op grond van een rechterlijke machtiging met spoed bij de vader geplaatst. Het politieonderzoek is inmiddels gestart en in de komende periode zal dit zijn vervolg krijgen. De kinderrechter is van oordeel dat eerst zicht moet komen op de vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag, mishandeling en seksueel misbruik. Zolang hier geen duidelijkheid is verkregen, kan de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de moeder niet worden gewaarborgd en kan er geen sprake zijn van een thuisplaatsing. Nu dit onderzoek nog enige tijd zal vergen, zal de kinderrechter de machtiging voor het verblijf van de kinderen bij de vader verlengen voor de resterende (korte) duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 18 juni 2026. Daarbij vraagt de kinderrechter de GI om aandacht te hebben voor het contact van de moeder met haar kinderen. De GI dient hiertoe de mogelijkheden om dit onder begeleiding vorm te geven te onderzoeken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 7 mei 2026 en tot 18 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.