Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
in de zaak met zaaknummer: C/02/447320 / FA RK 26-2028);
in de zaak met zaaknummer: C/02/447320 / FA RK 26- 2028)
2.De feiten
- de ouder bij wie [minderjarige] het laatst verblijft, [minderjarige] naar de andere ouder brengt, telkens om 18.30 uur, met een voor-/uitloop van maximaal 15 minuten;
- er voor een deel van de vakanties en feestdagen een regeling voor zorg- en opvoedingstaken geldt conform het aan voormelde beschikking gehechte schema.
3.De vorderingen in conventie en in reconventie
primairte bepalen dat met ingang van de afgifte van het in deze te wijzen vonnis, [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd dan wel haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de vrouw krijgt, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dan wel de hoogte van de dwangsom in goede justitie nader te bepalen, voor het geval de man weigert [minderjarige] bij de vrouw terug te brengen;
subsidiairde man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig contact(herstel) tussen de vrouw en [minderjarige] , waarbij de vrouw tweemaal in de week, op de woensdag- en zaterdagmiddag van 13:00 uur tot 17:00 uur, onbegeleid contact heeft met [minderjarige] dan wel een voorlopige contact- en zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen zoals door de voorzieningenrechter nader te bepalen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per contactmoment dan wel een dwangsom nader in goede justitie te bepalen, voor het geval de man weigert zijn medewerking aan de contact(herstel) te verlenen.
naar de voorzieningenrechter begrijpt) in de omgeving van [woonplaats 2] .
.De partner van de man is veel thuis en zorgt voor haar kinderen en [minderjarige] wanneer de man werkt. De gemeente Dongen heeft op de ochtend van de zitting een huisbezoek afgelegd bij de man in zijn woning. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij (voorlopig) bij de man blijft wonen. De man heeft er geen vertrouwen in dat [minderjarige] bij de vrouw veilig is. De man verzet zich dan ook tegen het opstarten van onbegeleid contact. De man wenst dat er zorgvuldig wordt gekeken naar wat er nodig is, zodat de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in het contact met de vrouw kan worden gewaarborgd. De man vindt het problematisch dat de vrouw niet open is over hoe de intoxicatie heeft kunnen plaatsvinden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt hoe dan ook bij de vrouw, omdat [minderjarige] op dat moment onder de hoede van de vrouw verkeerde. De vrouw getuigt niet van enig inzicht in haar rol daarin en de man vraagt zich daardoor af waarom de situatie bij de vrouw thuis nu anders zou zijn. De man heeft daarom eerst de zitting willen afwachten, voordat hij heeft willen instemmen met de inzet van hulpverlening om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vrouw. Ook was er veel onduidelijkheid vanuit de betrokken instanties ten aanzien van een andere vorm van contact tussen [minderjarige] en de vrouw. De man zal zich houden aan het vonnis van de voorzieningenrechter. Het opleggen van een dwangsom is daarom niet aan de orde.
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
- het contactherstel zal onder begeleiding plaatsvinden;
- tot dat er een professionele instantie is betrokken, zal met ingang van 25 april 2026 worden gestart met door de grootmoeder (mz) begeleide contactmomenten;
- het voorlopig contact vindt plaats op zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur, waarbij de man [minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige] terugbrengt naar de man;
- de man zal er voor zorgen dat de vrouw de gelegenheid zal hebben [minderjarige] persoonlijk te feliciteren met haar verjaardag op 8 mei 2026.