ECLI:NL:RBZWB:2026:4787

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447124 / KG ZA 26/194
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige toevertrouwing en begeleide zorgregeling minderjarige na intoxicatie

Partijen, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over hun minderjarige kind, zijn in geschil over de voorlopige toevertrouwing en zorgregeling. Na een incident waarbij de minderjarige met verschillende drugs in haar lichaam in het ziekenhuis werd opgenomen, verblijft het kind sinds 27 maart 2026 tijdelijk bij de man. De vrouw vordert de toevertrouwing aan haar en onbegeleid contact, terwijl de man de toevertrouwing aan hemzelf en vervangende toestemming voor schoolinschrijving in zijn woonplaats vraagt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het incident ernstige zorgen baart en dat het niet duidelijk is hoe de intoxicatie heeft plaatsgevonden. De vrouw had op dat moment de zorg en heeft het kind niet kunnen beschermen. Daarnaast wijzen meldingen bij Veilig Thuis op een structureel onveilige situatie bij de vrouw. Daarom is het niet verantwoord om de zorgregeling zoals die eerder gold te hervatten zonder toezicht.

De voorzieningenrechter volgt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en vertrouwt de minderjarige voorlopig toe aan de man. Het contact tussen de vrouw en het kind wordt voorlopig begeleid door de grootmoeder, met een opbouwende regeling op zaterdagochtend. De beslissing over de schoolinschrijving wordt uitgesteld tot september 2026 om onnodige wisselingen te voorkomen. De kosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig aan de man toevertrouwd met een begeleide contactregeling voor de vrouw.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/447124 / KG ZA 26/194
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis in kort geding over de voorlopige toevertrouwing en de (nakoming van de) zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout,
tegen
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg.
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 15 april 2026 betekende dagvaarding met producties;
- het op 16 april 2026 ingediende verzoekschrift met bijlagen van de man (
in de zaak met zaaknummer: C/02/447320 / FA RK 26-2028);
- de stukken van mr. de Haas van 16 april 2026;
- het stuk van mr. de Haas van 21 april 2026;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met bijlage van 22 april 2026;
- het op 22 april 2026 ingediende verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen van de vrouw (
in de zaak met zaaknummer: C/02/447320 / FA RK 26- 2028)
1.2.
Op 23 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige door de vrouw aanhangig gemaakte kort geding met het door de man ingediende verzoek in de zaak met kenmerk: C/02/447320 / FA RK 26-2028, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. Op de verzoeken in de voorlopige voorziening is bij separate beschikking beslist.
1.4.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is een vertegenwoordiger namens de Raad verschenen om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2024 is, voor zover thans van belang, bepaald dat:
- [minderjarige] bij de man zal verblijven als volgt:
- in de oneven weken van vrijdagavond 18.30 uur tot dinsdagochtend, aanvang kinderopvang of school;
- in de even weken van maandagavond einde kinderopvang of school, tot dinsdagochtend, aanvang kinderopvang of school;
  • de ouder bij wie [minderjarige] het laatst verblijft, [minderjarige] naar de andere ouder brengt, telkens om 18.30 uur, met een voor-/uitloop van maximaal 15 minuten;
  • er voor een deel van de vakanties en feestdagen een regeling voor zorg- en opvoedingstaken geldt conform het aan voormelde beschikking gehechte schema.
2.4.
[minderjarige] verblijft sinds 27 maart 2026 (voorlopig) bij de man.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primairte bepalen dat met ingang van de afgifte van het in deze te wijzen vonnis, [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd dan wel haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de vrouw krijgt, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dan wel de hoogte van de dwangsom in goede justitie nader te bepalen, voor het geval de man weigert [minderjarige] bij de vrouw terug te brengen;
II.
subsidiairde man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig contact(herstel) tussen de vrouw en [minderjarige] , waarbij de vrouw tweemaal in de week, op de woensdag- en zaterdagmiddag van 13:00 uur tot 17:00 uur, onbegeleid contact heeft met [minderjarige] dan wel een voorlopige contact- en zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen zoals door de voorzieningenrechter nader te bepalen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per contactmoment dan wel een dwangsom nader in goede justitie te bepalen, voor het geval de man weigert zijn medewerking aan de contact(herstel) te verlenen.
III. met veroordeling van de man in de kosten en nakosten van dit geding.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het navolgende aangevoerd. Op 26 maart 2026 is [minderjarige] met spoed opgenomen in het ziekenhuis, omdat zij bij de vrouw onwel was geworden. Uit het onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat er drugs in het lichaam van [minderjarige] zijn aangetroffen. Het was en is nog altijd onduidelijk hoe dit is gebeurd. De vrouw gebruikt geen drugs en in de woning van de grootmoeder (mz) komen evenmin personen die drugs gebruiken. De vrouw is eerder die dag met [minderjarige] naar de speeltuin geweest en vermoedt dat [minderjarige] daar mogelijk iets van drugs heeft opgeraapt en in haar mond heeft gestopt. Dit is een eenmalig incident geweest, hetgeen niet was te voorkomen. Hoewel het hoofdverblijf van [minderjarige] nooit eerder formeel is vastgesteld, is dit in de praktijk bij de vrouw. De vrouw heeft na de opname van [minderjarige] in het ziekenhuis, in overleg met Veilig Thuis en de gemeente Dongen, vrijwillig ingestemd met een tijdelijk verblijf van [minderjarige] bij de man. De man weigert echter [minderjarige] terug te brengen. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij langer bij de man blijft wonen. [minderjarige] is erg gehecht aan de vrouw en het is schadelijk voor [minderjarige] om van de een op het andere moment haar hoofdverblijfplaats te wijzigen. De man heeft het afgelopen halfjaar nauwelijks contact gehad met [minderjarige] . Sinds september 2025 gaf de man immers geen uitvoering meer aan de co-ouderschapsregeling tussen partijen. Ook woont de man op een camping, hetgeen geen ideale verblijfplek voor [minderjarige] is en [minderjarige] dient binnenkort te starten op de basisschool in [woonplaats 1] , alwaar zij reeds ingeschreven staat. De moeder is het niet eens met de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [woonplaats 2] . De thuissituatie bij de vrouw is veilig, zoals ook volgt uit de stukken van Veilig Thuis. De eerdere melding die door de grootvader (mz) en zijn partner is gedaan is onterecht. De eerdere betrokkenheid van Veilig Thuis heeft wel geleid tot het maken van veiligheidsafspraken en de inzet van begeleiding vanuit [hulpverlening] . Dit gaat al geruime tijd goed. De vrouw heeft [minderjarige] inmiddels al sinds 27 maart 2026 niet meer gezien en geen contact gehad met [minderjarige] . Er zijn geen gronden voor het ontzeggen van het contact tussen de vrouw en [minderjarige] . De vrouw wenst dat het contact tussen haar en [minderjarige] wordt hervat. De gemeente Dongen heeft binnen het vrijwillig kader getracht nadere afspraken te maken omtrent het herstel van het contact tussen de vrouw en [minderjarige] en de terugkeer van [minderjarige] naar de vrouw. De man heeft hier zijn medewerking niet aan willen verlenen en niet getekend voor de inzet van hulpverlening in de opvoedsituatie van de vrouw. De moeder stemt in met de inzet van hulpverlening. Het contact(herstel) kan door de grootmoeder (mz) worden begeleid.
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om te bepalen dat [minderjarige] voorlopig wordt toevertrouwd aan de man en aan de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool (
naar de voorzieningenrechter begrijpt) in de omgeving van [woonplaats 2] .
3.4.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen in reconventie voert de man, samengevat, onder meer het navolgende aan. De man heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] bij de vrouw, zoals deze ook blijken uit de stukken. Deze zorgen had de man ook voorafgaand aan de ziekenhuisopname van [minderjarige] . Sinds de opname van [minderjarige] in het ziekenhuis verblijft zij bij de man, omdat de thuissituatie bij de vrouw onveilig voor [minderjarige] was. Er is geen enkele reden om aan deze situatie op korte termijn iets te veranderen. De man heeft een stabiele relatie en er is sprake van een gezinssituatie waar [minderjarige] zich goed voelt en waar er voor [minderjarige] gezorgd wordt
.De partner van de man is veel thuis en zorgt voor haar kinderen en [minderjarige] wanneer de man werkt. De gemeente Dongen heeft op de ochtend van de zitting een huisbezoek afgelegd bij de man in zijn woning. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij (voorlopig) bij de man blijft wonen. De man heeft er geen vertrouwen in dat [minderjarige] bij de vrouw veilig is. De man verzet zich dan ook tegen het opstarten van onbegeleid contact. De man wenst dat er zorgvuldig wordt gekeken naar wat er nodig is, zodat de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in het contact met de vrouw kan worden gewaarborgd. De man vindt het problematisch dat de vrouw niet open is over hoe de intoxicatie heeft kunnen plaatsvinden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt hoe dan ook bij de vrouw, omdat [minderjarige] op dat moment onder de hoede van de vrouw verkeerde. De vrouw getuigt niet van enig inzicht in haar rol daarin en de man vraagt zich daardoor af waarom de situatie bij de vrouw thuis nu anders zou zijn. De man heeft daarom eerst de zitting willen afwachten, voordat hij heeft willen instemmen met de inzet van hulpverlening om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vrouw. Ook was er veel onduidelijkheid vanuit de betrokken instanties ten aanzien van een andere vorm van contact tussen [minderjarige] en de vrouw. De man zal zich houden aan het vonnis van de voorzieningenrechter. Het opleggen van een dwangsom is daarom niet aan de orde.
De moeder heeft tot op heden geweigerd om haar toestemming te geven voor de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in de omgeving van [woonplaats 2] . Nu [minderjarige] binnenkort naar school gaat en bij de man verblijft, dient de inschrijving van [minderjarige] aldaar met tussenkomst van de voorzieningenrechter geregeld te worden.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of partijen een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen in conventie en reconventie (artikel 254 Rv Pro). Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vorderingen in conventie en in reconventie vast. Nu [minderjarige] sinds 27 maart 2026 (tijdelijk) bij de man verblijft en er sindsdien geen sprake is geweest van enige vorm van contact tussen de vrouw en [minderjarige] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw op zichzelf een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen in conventie. Omdat de vordering van de man in reconventie tot toevertrouwing van [minderjarige] aan de man ziet op hetzelfde onderwerp, zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij deze vordering eveneens aannemen. Met betrekking tot de vordering van de man in reconventie tot het verkrijgen van vervangende toestemming om [minderjarige] te mogen inschrijven op een basisschool in de omgeving van [woonplaats 2] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man eveneens een voldoende spoedeisend belang heeft. [minderjarige] dient in beginsel na de meivakantie te starten op de basisschool en het is voor de man niet haalbaar om [minderjarige] , wanneer zij aan de man wordt toevertrouwd, naar de basisschool in [woonplaats 1] te brengen. De voorzieningenrechter zal de vorderingen in conventie en in reconventie daarom hierna inhoudelijk beoordelen en vervolgens daarop beslissen.
4.4.
De Raad heeft tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende naar voren gebracht. De Raad adviseert om [minderjarige] voorlopig aan de man toe te vertrouwen. De Raad vindt het verontrustend dat [minderjarige] in het ziekenhuis is opgenomen en dat er verschillende soorten drugs in haar lichaam zijn aangetroffen. De precieze toedracht van dit incident kan de Raad niet vaststellen en het is niet duidelijk welk aandeel moeder in die situatie heeft gehad. Wel staat vast dat de moeder op dat moment de verantwoordelijkheid had voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zij [minderjarige] dus niet tegen deze risicovolle situatie heeft kunnen beschermen. De Raad vindt het advies dat eerder door de gemeente en Veilig Thuis is gegeven ten aanzien van het contact(herstel) daarin passend. Er dient met de inzet van hulpverlening en onder veiligheidsvoorwaarden te worden gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vrouw. Het contact tussen [minderjarige] en de vrouw dient eerst onder begeleiding plaats te vinden. Het is belangrijk dat er zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van zowel de vrouw als de opvoedsituatie van de man. Middels de inzet van begeleide contactmomenten kan er onder regie van de GI toegewerkt worden naar het hervatten van de zorgregeling zoals die in het verleden is vastgesteld. Ten aanzien van de schoolinschrijving van [minderjarige] maakt de Raad zich ook veel zorgen. Zij dient op korte termijn te starten op school. Gelet op hetgeen zij de afgelopen periode al heeft meegemaakt, zal het veel van [minderjarige] vragen dat zij ook nog van school zou moeten wisselen. Nu er nog veel onduidelijkheid is over waar [minderjarige] uiteindelijk zal gaan wonen en wat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn, is het wellicht een optie om [minderjarige] pas na de zomervakantie te laten starten op school. In die tussentijd zou het goed zijn wanneer [minderjarige] wel naar de opvang in [woonplaats 1] gaat.
4.5.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat [minderjarige] op 26 maart 2026 is opgenomen in het ziekenhuis naar aanleiding van een intoxicatie door drugs, waarbij er verschillende soorten middelen zijn aangetroffen in haar lichaam. Hoewel het niet duidelijk is hoe [minderjarige] deze middelen binnen heeft kunnen krijgen, baart dit incident de voorzieningenrechter ernstig zorgen. Wat er is gebeurd is heel heftig voor een jong meisje zoals [minderjarige] . Of dit binnen de woning van de vrouw is gebeurd of in de speeltuin, zoals de vrouw stelt, is op basis van de op dit moment beschikbare informatie door de voorzieningenrechter niet vast te stellen. Wel staat voor de voorzieningenrechter vast dat het incident heeft plaatsgevonden op het moment dat de vrouw de verantwoordelijkheid had over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en [minderjarige] hiertegen niet heeft kunnen beschermen. Daarnaast wijzen de meldingen die bij Veilig Thuis zijn binnen gekomen op een structureel onveilige situatie aan de zijde van de vrouw. Dit maakt dat het, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op dit moment onvoldoende veilig is voor [minderjarige] om zonder toezicht en begeleiding contact te hebben met de vrouw. Dit maakt dan ook dat het hervatten van de eerder vastgelegde zorgregeling, waarbij er sprake was van een vorm van co-ouderschap tussen partijen, op het moment niet verantwoord is, gezien vanuit het belang van [minderjarige] . De voorzieningenrechter acht de belangen van de vrouw bij onmiddellijke hervatting van het comparitie-ouderschap daaraan ondergeschikt.
4.6.
Als gevolg hiervan heeft de voorzieningenrechter tijdens de zitting al aangekondigd dat [minderjarige] , overeenkomstig het advies van de Raad, voorlopig aan de man zal worden toevertrouwd. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man in reconventie daartoe dan ook toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de vrouw in conventie op dit punt.
4.7.
Tijdens de zitting hebben partijen voorts afspraken gemaakt over het voorlopige contact(herstel) tussen de vrouw en [minderjarige] . Ten aanzien van de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] is daartoe het volgende afgesproken:
  • het contactherstel zal onder begeleiding plaatsvinden;
  • tot dat er een professionele instantie is betrokken, zal met ingang van 25 april 2026 worden gestart met door de grootmoeder (mz) begeleide contactmomenten;
  • het voorlopig contact vindt plaats op zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur, waarbij de man [minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige] terugbrengt naar de man;
  • de man zal er voor zorgen dat de vrouw de gelegenheid zal hebben [minderjarige] persoonlijk te feliciteren met haar verjaardag op 8 mei 2026.
De voorzieningenrechter acht deze voorlopige (opbouwende) zorgregeling thans het meest in het belang van [minderjarige] en zal deze regeling als zodanig vastleggen. Nu de kinderrechter [minderjarige] , op mondeling verzoek van de Raad en met instemming van partijen, tijdens de zitting voorlopig onder toezicht heeft gesteld van de GI, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de regie ten aanzien van de duur, de frequentie, de vorm en de overgang naar onbegeleid contact bij de GI te beleggen, waarmee er op een verantwoorde en veilige wijze dient te worden toegewerkt naar de uitvoering van de zorgregeling zoals bij de rechtbank in de beschikking van 4 november 2022 is bepaald, dan wel een andere regeling indien de eerder vastgestelde co-ouderschapsregeling in de door de man aanhangig gemaakte bodemprocedure, al dan niet naar aanleiding van een onderzoek van de Raad, zal worden gewijzigd. De GI zal daartoe op korte termijn onderzoeken welke hulpverlenende instantie voor de begeleiding van het contact kan worden ingezet. Tot die tijd gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat de grootmoeder (mz) de begeleidende rol vervult en tijdens de contactmomenten aanwezig zal blijven ten einde toezicht te houden op het contact tussen [minderjarige] en de vrouw.
4.8.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de nakoming van voormelde regeling een dwangsom te verbinding. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat de man uitvoering zal geven aan deze voorlopige zorgregeling. De man heeft immers tijdens de zitting ingestemd met deze voorlopige regeling en aansluitend de inzet van hulpverlening ten behoeve van het uitvoeren van deze regeling.
4.9.
De vordering van de man in reconventie ter verkrijging van vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 2] zal de voorzieningenrechter afwijzen. Tijdens de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de beslissing ten aanzien van de schoolgang van [minderjarige] voor nu het beste kan worden uitgesteld tot september 2026. Het is voor nu nog te onduidelijk waar [minderjarige] uiteindelijk haar hoofdverblijf zal hebben en het is niet in haar belang dat zij daardoor over een tijd opnieuw zal worden geconfronteerd met een ingrijpende verandering, zoals een wisseling van school. De voorzieningenrechter hoopt dat het partijen, met hulp van de GI, te zijner tijd lukt om tot een door beide partijen gedragen beslissing te komen. Dit acht de voorzieningenrechter het meest in het belang van [minderjarige] . Tot die tijd zal, ondanks de praktische bezwaren van de man, moeten worden getracht om [minderjarige] zoveel mogelijk naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 1] te laten gaan.
4.10.
De voorzieningenrechter zal deze beslissing, gelet op de aard daarvan en omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en door beide partijen moet worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
4.11.
In hetgeen over en weer namens partijen is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter tot slot geen aanleiding om één van hen te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure en daarbij af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de kosten van partijen tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal dit dan ook op onderstaande wijze bepalen.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
vertrouwt [minderjarige] voorlopig toe aan de man;
5.2.
bepaalt dat de vrouw en [minderjarige] voorlopig recht hebben op (door de grootmoeder (mz)) begeleid contact met elkaar in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op de zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur, waarbij de man [minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige] naar de man terugbrengt, welk contact onder regie van de GI kan worden uitgebreid en aangepast middels professioneel begeleide omgang, een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.7 is overwogen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.