ECLI:NL:RBZWB:2026:4793

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446703 / JE RK 26-575
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West Zeeland om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft sinds juli 2025 in een jeugdhulpaccommodatie vanwege gedragsproblemen en onvoorspelbaar gedrag.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds moeite heeft met het reguleren van emoties en gedrag, wat zich uit in fysieke agressie en weglopen. Hoewel er enige stabiliteit is bereikt, is de ontwikkeling pril en is diagnostiek noodzakelijk om de problematiek en het toekomstperspectief in kaart te brengen. De verblijfplaats is geschikt voor behandeling maar niet voor permanente huisvesting.

Gezien het belang van de minderjarige en de noodzaak van verdere betrokkenheid van de gecertificeerde instelling, wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van twaalf maanden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van twaalf maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446703 / JE RK 26-575
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
- het bericht van de persoonlijk begeleider van [minderjarige] met bijlagen van 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
Beide ouders zijn niet naar de zitting gekomen. De kinderrechter stelt vast dat beiden op juiste wijze zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Bij e-mailbericht van 24 april 2026 heeft zijn persoonlijk begeleider namens [minderjarige] aangegeven dat hij hier geen gebruik van zal maken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 17 mei 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 17 mei 2024 en tot 17 mei 2024. Bij beschikking van 15 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 17 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van 25 juli 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 17 mei 2026.
2.4.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft voornoemd verzoek ter zitting toegelicht. [minderjarige] verblijft sinds 22 juli 2025 op [accommodatie] . Omdat gezien werd dat [minderjarige] moeite had om hier te stabiliseren, is besloten om de omgangsweekenden met beide ouders tijdelijk op [accommodatie] te laten plaatsvinden, waardoor [minderjarige] minder schakelmomenten te verwerken had. Het heeft lang geduurd voordat [minderjarige] tot rust kwam, maar inmiddels laat [minderjarige] meer stabiliteit zien. Ondanks de prille ontwikkeling zijn de zorgen over zijn gedrag niet weggenomen. Het is vooralsnog onduidelijk welke problematiek hieraan ten grondslag ligt en wat hij hierbij nodig heeft. Om dit in kaart te kunnen brengen blijft de ondertoezichtstelling noodzakelijk, maar ook om duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Volgens de GI heeft [minderjarige] een stabiele en pedagogisch verantwoorde plek nodig heeft om tot verdere ontwikkeling te komen. De prille ontwikkeling die [minderjarige] thans laat zien maakt dat hij voor nu op zijn plek zit bij [accommodatie] , wat volgens de GI ook door beide ouders wordt erkend. De GI beseft echter dat dit geen plek is waar [minderjarige] kan blijven wonen. In de komende periode zal onderzocht worden waar zijn perspectief ligt en [minderjarige] verder kan opgroeien.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van zijn verzorging en opvoeding [2] noodzakelijk. De kinderrechter zal beide - onweersproken - verzoeken van de GI toewijzen en legt hieronder uit waarom hij tot deze beslissing komt.
4.2.
De kinderrechter concludeert dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] laat onvoorspelbaar en onrustig gedrag zien, waarbij hij moeite heeft om zijn emoties te reguleren. Dit kan uiten in fysieke agressie en weglopen. Sinds juli 2025 verblijft [minderjarige] op een passende behandelplek, te weten [accommodatie] . Hoewel hij de eerste periode veel moeite had om tot rust en stabiliseren te komen, lijkt het erop dat [minderjarige] inmiddels wat meer tot rust komt en meer ruimte begint te ervaren voor het kunnen reguleren van zijn gedrag. Deze ontwikkeling is echter nog erg pril en maakt dat nu pas de diagnostiekfase kan starten en kan worden onderzocht waar het gedrag dat [minderjarige] laat zien vandaan komt en wat hij hierbij nodig heeft om tot verdere ontwikkeling te kunnen komen. [minderjarige] lijkt te profiteren van zijn verblijf bij [accommodatie] . Dit is echter geen setting waar [minderjarige] kan blijven wonen en is uitsluitend gericht op diagnostiek en behandeling. Er dient dus ook zicht te komen op zijn perspectief voor de langere termijn. Of dit bij één van de ouders zal zijn of binnen een passende setting, is vooralsnog niet duidelijk en is afhankelijk van de uitkomst van de diagnostiek die in de komende periode bij [accommodatie] zal plaatsvinden. Dit alles in acht genomen moet de kinderrechter concluderen dat de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld nog niet zijn behaald en dat betrokkenheid van de GI langer noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de voornoemde stappen worden gezet en het belang van [minderjarige] daarbij geborgd blijft. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen, zoals verzocht voor de duur van twaalf maanden. Hoewel nog niet duidelijk is hoe lang [minderjarige] bij [accommodatie] kan verblijven, zal de kinderrechter ook de daartoe strekkende machtiging verlengen voor de duur van jaar om zodat [minderjarige] hierover geen onduidelijkheid en onrust hoeft te ervaren. Op het moment dat er duidelijkheid is over zijn perspectief en wijziging van zijn verblijf in zijn belang wordt geacht, is het aan de GI om voor zover nodig hiervoor een andere machtiging te verzoeken, tenzij een thuisplaatsing bij één van de ouders tot de mogelijkheden behoort. Dan is dit niet nodig.
4.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 mei 2027;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 mei 2027;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.