ECLI:NL:RBZWB:2026:4794

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447602 / FA RK 26-2187
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voortzetting crisismaatregel wegens ondoelmatigheid verplichte zorg

Betrokkene verblijft op grond van een crisismaatregel in een psychiatrische accommodatie na een incident waarbij hij suïcidaal gedrag vertoonde en agressie toonde. De burgemeester van Tilburg gaf de crisismaatregel op 27 april 2026 af. De officier van justitie verzocht de rechtbank om verlenging van deze maatregel voor drie weken.

Tijdens de zitting, die betrokkene zelf niet bijwoonde, werd de arts in opleiding tot psychiater gehoord. Deze gaf aan dat betrokkene zich passief opstelt, moeilijk te motiveren is en bekend is met suïcidaliteit en autisme. De arts achtte verplichte zorg echter niet doelmatig omdat dit een stap terug zou zijn in het herwinnen van zelfstandigheid en niet zou bijdragen aan vermindering van suïcidaliteit. De advocaat van betrokkene ondersteunde dit standpunt.

De rechtbank constateerde dat er geen onmiddellijk ernstig dreigend nadeel meer aanwezig is en dat niet wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor voortzetting van de crisismaatregel. Daarom werd het verzoek afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven op 30 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 12 mei 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens ondoelmatigheid van verplichte zorg.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447602 / FA RK 26-2187
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 28 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Gehoord zijn de advocaat van betrokkene en de heer [persoon] , arts in opleiding tot psychiater.
Betrokkene zelf heeft de zitting niet bijgewoond. Na diverse keren vragen door zijn advocaat en de arts om de zitting bij te wonen gaf betrokkene aan dat niet te willen.
Ook de rechtbank zelf heeft geconstateerd dat betrokkene niet gehoord wil worden.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel bij de [accommodatie] te [plaats] . De burgemeester van Tilburg heeft de crisismaatregel op 27 april 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.

4.De standpunten

4.1.
De arts zegt dat betrokkene zich erg passief opstelt en hij vanuit de zorg weinig hoop ervaart. Hij is moeilijk te motiveren om zijn eigen verantwoordelijkheid te pakken. Hij is bekend met suïcidaliteit en autisme. Momenteel is hij in transitie van vrouw naar man.
Eerder was hij in zorg bij een team voor eetstoornissen. Betrokkene was daar vier dagen in dagbehandeling, maar dat bleek voor hem teveel. Hij is toen onder behandeling gekomen van het FACT-team. De behandeling voor zijn eetstoornis viel op dat moment weg. Voor betrokkene is nog veel onduidelijk en hij heeft weinig perspectief. Hij is dit keer weggegaan vanuit het psychiatrische ziekenhuis naar het spoor om voor een trein te kunnen springen. Door de politie is betrokkene toen in veiligheid gebracht en werd de huidige crisismaatregel afgegeven. De directe aanleiding voor de crisismaatregel was de agressie die hij liet zien bij terugkeer in het psychiatrische ziekenhuis. Hij schopte toen tegen de deuren en volgde de aanwijzingen van de verpleging niet op, waarop hij in holding moest worden genomen. Het was toen niet mogelijk om met betrokkene vrijwillig tot een samenwerking te komen. Dit neemt volgens de arts niet weg dat het hem beter lijkt om het verzoek voor verplichte zorg af te wijzen, omdat verplichte zorg een stap terug zal zijn bij het herwinnen van zijn zelfstandigheid en het hem niet gaat helpen wat betreft zijn suïcidaliteit. De arts zegt er voldoende vertrouwen in te hebben dat met betrokkene alsnog tot afdoende samenwerking in de behandelrelatie kan worden gekomen. Een dergelijke situatie is vaker voorgekomen. De arts spreekt de hoopvolle verwachting uit dat betrokkene wederom in beweging zal gaan komen en zijn autonomie zal herpakken.
4.2.
De advocaat is, nu hij de arts heeft gehoord, van mening dat het verzoek in het belang van zijn cliënt moet worden afgewezen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank betreurt, bovenal voor betrokkene zelf, dat zich weer eenzelfde soort situatie heeft voorgedaan als in de zomer van 2024. Toen was ook sprake van suïcidegevaar en was sprake van een opname op grond van een crisismaatregel. Op dit moment is er geen onmiddellijk ernstig dreigend nadeel meer aanwezig en geeft de arts aan dat het ook beter is om de crisismaatregel niet voort te zetten, omdat gedwongen zorg gelet op de problematiek van betrokkene averechts zal werken, minder effectief zal zijn en daarmee ondoelmatig. Aldus wordt niet voldaan aan de wettelijke criteria om de gevraagde machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te kunnen verlenen en wordt het verzoek dus afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.