ECLI:NL:RBZWB:2026:4796

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445217 / JE RK 26-291
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 4 april 2027. De kinderrechter heeft reeds een verlenging tot 4 mei 2026 toegekend en beoordeelt nu het resterende verzoek.

De minderjarige staat onder toezicht vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling, met name door de kwetsbare thuissituatie bij de moeder, die kampt met emotionele instabiliteit en beperkte emotieregulatie. Ondanks intensieve hulpverlening zijn de zorgen over de opvoedingssituatie en de spanningen tussen de ouders niet weggenomen. De moeder ontvangt begeleiding vanuit verschillende hulpverleningsinstanties, maar de samenwerking en het nakomen van afspraken blijven problematisch.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd om de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen en verdere escalaties te voorkomen. De verlenging wordt toegekend voor zes maanden, korter dan het door de GI gevraagde jaar, om de voortgang te evalueren en te bezien of overdracht naar vrijwillige hulp mogelijk is. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere besluitvorming wordt aangehouden tot een volgende zitting.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 4 november 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445217 / JE RK 26-291
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 1 april 2026 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
Op 17 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Door de kinderrechter is bijzondere toegang verleend aan de ambulant hulpverleenster van de moeder vanuit [hulpverlening 1] , om als toehoorder bij de zitting aanwezig te zijn.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vader, maar zij verblijft op basis van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken afwisselend bij de vader en de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 april 2026.
2.4.
Bij beschikking van 1 april 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van één maand, te weten tot 4 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek heeft de kinderrechter aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op dit verzoek is door de kinderrechter reeds deels beslist.
3.3.
Aan de orde is het resterende deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 4 april 2027 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI vindt de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar nog nodig. De GI zou graag zien dat de doelen die binnen de ondertoezichtstelling zijn gesteld, verder worden bestendigd. De hulpverlening die bij de moeder betrokken is, is ingezet door de GI. Op termijn zal moeten worden bekeken of de hulpverlening kan worden overgedragen naar het vrijwillig kader. Hiertoe acht de GI de moeder op het moment nog niet in staat. Er is sprake van emotionele instabiliteit en emotieregulatie problematiek bij de moeder. Dit heeft invloed op de hulpverlening en het nakomen van de afspraken. De GI heeft veel moeten inzetten op het verhelpen van acute situaties, waardoor er niet is toegekomen aan het werken aan de lange termijn doelen. Deze situaties hadden onder meer betrekking op incidenten met de ex-partner van de moeder. De GI beschikt wel over een definitief verslag vanuit MST. Het is onduidelijk of de persoonlijke hulpverlening voor de moeder vanuit het FACT is gestart. De GI vindt het positief dat er inmiddels sprake is van een uitgebreide zorg- en contactregeling tussen de ouders in de vorm van een co-ouderschapsregeling.
De vaste jeugdbeschermer is langdurig afwezig wegens ziekte. In februari 2026 is er voor het laatst contact geweest met de ouders vanuit de GI. De moeder heeft wel intensief contact met de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Vanaf 1 mei 2026 zal er opnieuw een vaste en ervaren jeugdbeschermer beschikbaar zijn om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
4.2.
Door en namens de moeder is afwijzing van het verzoek bepleit. De moeder ziet geen reden voor de voortzetting van de ondertoezichtstelling. Er zijn geen concrete zorgen over [minderjarige] . Het is niet de bedoeling om de ondertoezichtstelling voort te laten duren totdat er zorgen zouden ontstaan. De GI heeft al heel lang geen bemoeienis met het gezin, de moeder heeft zich in januari 2026 zelf aangemeld bij de GGZ en de moeder profiteert van de hulpverlening die betrokken is en wenst deze hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. De moeder laat zich intensief begeleiden vanuit [hulpverlening 1] . Met [hulpverlening 1] heeft de moeder wekelijks contact en een vertrouwensband. De moeder is in 2025 gestart met traumabehandeling, hetgeen in oktober 2025 abrupt is gestopt. Dit was nog te moeilijk voor de moeder. Door de Viersprong is toen FACT-begeleiding vanuit [hulpverlening 2] geadviseerd. Dit advies kwam voor de moeder uit de lucht vallen en is, mede door de huisarts, niet passend bevonden nu er bij de moeder geen sprake is van een verstandelijke beperking. De moeder heeft samen met de huisarts en [hulpverlening 1] een aanmelding gerealiseerd bij het FACT-team van [accommodatie] . De zorgregeling tussen de ouders is via de rechtbank tot stand gekomen. Daar is inmiddels rust in gekomen en de ouders kunnen deze regeling uitvoeren. De moeder is niet bekend met de reden waarom de GI deze regeling wil wijzigen. Er is nog altijd een zekere mate van onrust tussen de ouders, maar bij een verschil van mening consulteert de moeder nu de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] of de advocaat. Dit heeft sindsdien niet tot escalaties geleid.
De ondertoezichtstelling loopt al lang en er wordt feitelijk al lang geen uitvoering aan gegeven. De moeder heeft geen rechtstreeks contact gehad met de GI in februari 2026. De GI heeft contact gehad met de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] ten behoeve van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit was geen inhoudelijk contact over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder raakt gestrest van de wijze waarop de ondertoezichtstelling (niet) wordt uitgevoerd en dit zorgt voor irritatie.
4.3.
Ook de vader is het niet eens met het verzoek. De vader ziet geen noodzaak voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hoewel de vader de zorgen erkent, doet de GI vrij weinig en de ondertoezichtstelling draagt niet bij aan het verbeteren van de zorgen. Door de GI wordt veel ingezet op de acute situatie, maar aan de doelen wordt niet echt gewerkt. Wanneer er geen acute situaties zijn, dan wordt er door de GI ook niet gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling en wordt er slechts afgewacht tot er zich opnieuw een acute situatie voordoet. Veel van de beloftes die de GI heeft gemaakt zijn niet waargemaakt en hulpverlening is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de moeder en de vader is wisselend en de moeder heeft sturing nodig. Dit hoeft echter niet binnen het kader van de ondertoezichtstelling plaats te vinden, maar kan door [hulpverlening 1] worden gerealiseerd. De vader maakt zich ook zorgen over het voorbeeld dat [minderjarige] krijgt van de moeder. [minderjarige] is vanwege het gedrag van de moeder liever bij de vader dan bij de moeder.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is het de kinderrechter gebleken dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Hoewel er de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet, zijn er ook nog zorgen over [minderjarige] . Deze zorgen zijn nog steeds gelegen in de opvoedings- en opgroeisituatie van [minderjarige] . Ondanks de inzet van intensieve hulpverlening, blijft de thuissituatie bij de moeder kwetsbaar. De moeder beschikt in de basis weliswaar over Goed Genoeg Ouderschap, maar er zijn nog altijd zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder en haar (beperkte) emotieregulatie, zoals de kinderrechter ook tijdens de zitting is gebleken. De kinderrechter maakt zich daarom zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder om [minderjarige] een veilige en stabiele thuissituatie te bieden. Op het moment dat het de moeder niet lukt om haar emoties adequaat te reguleren, is zij immers verminderd (emotioneel) beschikbaar voor [minderjarige] en handelt zij niet altijd in lijn met wat veilig en voorspelbaar is voor [minderjarige] . [minderjarige] zal hier in de thuissituatie ook mee worden geconfronteerd en last van hebben. Ook maakt de kinderrechter zich nog zorgen over de onderlinge verstandhouding tussen de ouders, waarbij de spanningen in een snel tempo kunnen oplopen. Daardoor bestaat het risico dat [minderjarige] opnieuw wordt blootgesteld aan ouderlijke conflicten. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de forse incidenten die hebben plaatsgevonden in de thuissituatie met de ex-partner van de moeder.
5.5.
Om voormelde zorgen verder weg te nemen vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet duurzaam behaald en voorkomen moet worden dat de ingezette hulpverlening vroegtijdig wordt beëindigd. Daarbij is de (beperkte) emotieregulatie van de moeder een risicofactor. Dit belemmert de moeder namelijk ook in de samenwerking en het nakomen van de afspraken met de benodigde hulpverlening. Bovendien is er nog onduidelijk wat de uitkomsten zijn van de inzet van MST en in het verlengde daarvan de doelen en veiligheidsafspraken.
5.6.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen. Dit doet de kinderrechter, anders dan verzocht, voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal de kinderrechter aanhouden. De kinderrechter vindt deze termijn passend, zodat over zes maanden de voortgang van de hulpverlening kan worden geëvalueerd en kan worden bezien of een overdracht naar het vrijwillig kader reeds kan worden gerealiseerd. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op de hierna te melden pro forma zitting een briefrapportage over te leggen over de stand van zaken, de ontwikkelingen in de situatie van [minderjarige] en het verloop en de resultaten van de hulpverlening, onder gelijktijdige verstrekking daarvan aan de (advocaat van de) moeder en de vader. Daarbij merkt de kinderrechter nog op dat zij het kwalijk vindt dat de GI al lange tijd geen actieve uitvoering geeft aan de ondertoezichtstelling. Hoewel de kinderrechter begrip heeft voor de personele moeilijkheden die de GI al lange tijd ervaart, wordt daarmee niet gerechtvaardigd dat de GI haar verantwoordelijkheid richting [minderjarige] en de ouders niet nakomt. Het stemt de kinderrechter in dat kader dan ook positief dat er vanaf 1 mei 2026 opnieuw een vaste ervaren jeugdbeschermer bij het gezin zal worden betrokken. De kinderrechter gaat er daarmee vanuit dat er zal worden ingezet op het bestendigen van de situatie op de lange termijn en dat er wordt onderzocht of er een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden.
5.7.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 4 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de verdere beslissing op het verzoek aan tot 1 oktober 2026 pro forma, zulks in afwachting van de berichtgeving van de GI zoals omschreven in rechtsoverweging 5.6;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.