ECLI:NL:RBZWB:2026:4798

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447281 / JE RK 26-672
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 april 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010. De minderjarige verblijft momenteel bij de vader zonder gezag, nadat verblijf bij de moeder en grootouders moederszijde niet mogelijk bleek.

De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de thuissituatie is onhoudbaar en de minderjarige wil niet terug naar haar moeder of grootouders. De vader, die de minderjarige sinds zes maanden kent, heeft aangegeven dat het verblijf bij hem niet langer mogelijk is vanwege financiële en persoonlijke omstandigheden. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad sluiten zich aan bij het verzoek om plaatsing in een jeugdhulpaccommodatie, mogelijk eerst een crisisplek.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn vanwege een acuut en ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor drie maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad. De minderjarige wordt geplaatst bij de vader zonder gezag of in een jeugdhulpaccommodatie. De rechtbank benadrukt het belang van continuering van schoolprestaties en verdere begeleiding richting zelfstandigheid.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd en uitgebreid met plaatsing bij de vader zonder gezag of in een jeugdhulpaccommodatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447281 / JE RK 26-672
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Hofland te Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 18 april 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de schriftelijke bevestiging van de op de zitting gewijzigd verzoek, ontvangen op 30 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (via een telefonische verbinding) en haar advocaat (fysiek aanwezig);
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij voormelde beschikking van 18 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 april 2026 tot 2 mei 2026. Ook is bij die beschikking voor dezelfde periode een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van haar bij de andere ouder zonder gezag, zijnde de vader. Een beslissing over het overige verzoek is aangehouden.
2.3.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van haar bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad zijn verzoek mondeling aangevuld. Hij verzoekt thans om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van haar bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, en gelet op de acute situatie, om met onmiddellijke ingang de machtiging uit te breiden met een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De schriftelijke uitwerking van het aanvullende verzoek is nagezonden.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad, samengevat, aangegeven dat het verblijf van [minderjarige] bij de moeder onhoudbaar is gebleken. Vervolgens heeft [minderjarige] met toestemming van de moeder verbleven bij de grootouders, moederszijde. Na een verblijf van ongeveer tweeëneenhalf maand aldaar is zij met ruzie weggelopen naar de vader. De moeder is het niet eens met een verblijf van [minderjarige] bij de vader. Door de Raad worden er echter geen directe zorgen voor een verblijf bij de vader gezien. De Raad was oorspronkelijk van plan om te gaan onderzoeken of het verblijf van [minderjarige] bij de vader op langere termijn realistisch en passend is. Zo hebben de vader en [minderjarige] geen opvoedrelatie met elkaar opgebouwd en moet hun verstandhouding op evenwicht komen, waarbij [minderjarige] het gezag van de vader gaat accepteren. De (opvoedsituatie van de) vader is kwetsbaar. Gezien het door de vader tijdens de zitting ingenomen standpunt dat [minderjarige] niet langer bij hem kan verblijven, ziet de Raad geen andere optie dat haar te laten plaatsen in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder, wellicht eerst op een crisisplaats. Daarom heeft de Raad ter zitting zijn verzoek betreffende de verzochte machtiging gewijzigd, zoals die nu is verwoord in rechtsoverweging 3.2.
4.2.
Van de zijde van de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat het naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige] bij de vader. Zij doet haar best om zich op haar examens te focussen. De hulpverlening start op 11 mei 2026. De vader heeft gisteren echter aangegeven dat het verblijf van [minderjarige] bij hem niet langer houdbaar is. Zij kan nu echter niet terug naar de moeder. Zij wil graag naar kamertraining maar hiervoor zijn lange wachtlijsten. Er zal gekeken worden naar een passende optie voor de korte en lange termijn en ook naar het contact tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] kan voorlopig wel bij de vader verblijven, was tot aan de zitting het standpunt van de GI. In wat de vader op de zitting heeft gezegd ziet de GI aanleiding om haar standpunt over de plaatsing van [minderjarige] aan te passen. Hierbij sluit zij zich aan bij het verzoek van de Raad, zoals dat ter zitting is gewijzigd.
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de moeder achter de voorlopige ondertoezichtstelling staat. Zij heeft zelf om hulp gevraagd omdat haar thuissituatie niet langer houdbaar is. Een terugplaatsing bij de moeder is te vroeg. [minderjarige] wil dat kennelijk ook niet. De voorkeur van de moeder gaat ook uit naar kamertraining voor [minderjarige] . Nu dit nog niet zover is vindt zij het echter beter dat [minderjarige] bij haar wordt teruggeplaatst dan dat zij bij de vader verblijft. Zij heeft zorgen over de situatie bij de vader. Er is lange tijd geen contact met hem geweest. Door het gebeurde in het verleden kan de moeder hem niet vertrouwen. In de ogen van de moeder gaat het niet goed met [minderjarige] , ook niet op school. De moeder wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk weggaat bij de vader en dat zij hulp krijgt. [minderjarige] is niet veilig bij de vader, zo stelt de moeder.
4.4.
De vader heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zijn deur voor haar altijd openstaat. De moeder stelt dat [minderjarige] niet veilig is bij hem maar zij heeft zelf telefonisch contact met hem gezocht. De vader meent echter dat hij er niet volledig voor [minderjarige] kan zijn. Hij heeft thuis ook andere kinderen en hij staat onder bewind, waardoor het verblijf van [minderjarige] bij hem een extra financiële belasting betekent. Hij kan [minderjarige] daarom niets bieden, zelfs geen eten. Daarnaast werkt hij heel veel en is het lastig dat hij haar niet grootgebracht heeft. Hij kent haar nog maar zes maanden. Hij kan het niet aan. Hoewel het hem veel pijn doet, wil hij dat [minderjarige] per direct bij hem weggaat, aldus de vader.
4.5.
In reactie op het standpunt van de vader over de plaatsing merkt de vertegenwoordiger van de GI het volgende op. Zij sluit zich aan bij het verzoek van de Raad, zoals dat ter zitting is gewijzigd. De door de vader geschetste situatie maakt dat er voor [minderjarige] wellicht per heden een crisisplek moet worden gezocht. [minderjarige] kan daar twee weken verblijven en in die tijd zal naar een vervolgplek worden gezocht. Ook de moeder geeft aan dat haar deur voor [minderjarige] openstaat. Daarom wordt namens de GI aangegeven dat als [minderjarige] dat wil zij bij de moeder kan verblijven totdat een vervolgplek beschikbaar is. Dat is volgens de moeder beter dan een verblijf op een crisisplek. Zij verzoekt dat de hulpverlening dan zo spoedig mogelijk kan starten. Daarom wordt namens de GI toegezegd dat zij naast het zoeken naar een crisisplek met [minderjarige] contact zal opnemen om te overleggen wat haar standpunt is over een mogelijk tijdelijk verblijf bij de moeder.
4.6.
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter verteld dat zij niet meer wil verblijven bij de moeder en de grootouders, moederszijde. Zij verblijft nu bij de vader, die zij sinds zes maanden kent. Het gaat met haar goed bij de vader. Vanuit de vader doet zij het goed op school, wat ook blijkt uit de schoolresultaten. Zij wil op termijn een kamertraining en zelfstandig gaan wonen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden, die maken dat voornoemde beschikking van 18 april 2026 dient te worden herroepen.
5.2.
Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt dan nog voor of het resterende/gewijzigde verzoek kan worden toegewezen.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt voldaan. Hij verwijst hiervoor naar hetgeen in de beschikking van 18 april 2026 onder 4.2., 4.3., en 4.4. is overwogen. De situatie dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd is nog steeds actueel. Het voorgaande maakt dat de voorlopige ondertoezichtstelling naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om bedoelde bedreiging weg te nemen.
5.4.
De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat [minderjarige] niet langer bij hem kan verblijven en per direct weg moet. De moeder heeft opgemerkt dat [minderjarige] ook niet terug kan naar de grootouders moederszijde. Hoewel de moeder stelt dat [minderjarige] tijdelijk bij haar kan verblijven, heeft zij tijdens de zitting aangegeven dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar nu te vroeg is. [minderjarige] zelf heeft in haar kindgesprek gezegd dat zij niet terug wil naar de moeder. Het liefst wil zij voorlopig bij de vader blijven. De situatie bij de moeder is nog erg kwetsbaar. Dit alles betekent dat een verblijfsplek van [minderjarige] op dit moment niet gegarandeerd is. Een verblijf binnen het netwerk van de moeder of de vader behoort ook niet tot de mogelijkheden. De GI heeft toegezegd acuut een crisisplek voor [minderjarige] te zoeken, waarna binnen twee weken een vervolgplek beschikbaar moet zijn. Dit alles maakt dat het in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] noodzakelijk is dat zij uit huis wordt geplaatst. Daarom zal de kinderrechter de GI machtigen om [minderjarige] , in haar belang, uit huis te plaatsen bij de vader zonder gezag, dan wel een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder, beide maatregelen voor de duur van de resterende periode van het verzoek van drie maanden. Hij zal aldus ook het gewijzigde verzoek van de Raad toewijzen. Op deze manier wordt een verblijfplek van [minderjarige] het beste gewaarborgd. In de tussentijd kan worden onderzocht in hoeverre zij in aanmerking kan komen voor plaatsing binnen een kamertraining of een vergelijkbaar traject dan wel dat naar een andere passende vervolgplek moet worden gekeken.
5.5.
De kinderrechter spreekt de wens uit dat [minderjarige] ondanks de verwachte wijziging van haar plek van verblijf het goed zal blijven doen op school en dat zij dit schooljaar positief zal afsluiten.
5.6.
De kinderrechter zal zijn beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te
verlenen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI met ingang van 2 mei 2026 tot 18 juli 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, ingang van 2 mei 2026 tot 18 juli 2026, dan wel
een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 30 april 2026 tot 18 juli 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.