ECLI:NL:RBZWB:2026:4801

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/447258 / JE RK 26-664
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige hechting en onderzoek

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een gezinshuis verblijft. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en woont in een moeder-kindhuis op afstand van het gezinshuis. De GI stelt dat voortzetting noodzakelijk is vanwege onveilige hechting, trauma’s en onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder.

Tijdens de zitting gaf de moeder aan akkoord te zijn met de ondertoezichtstelling, maar verzocht zij om beperking van de machtiging tot uithuisplaatsing tot twee maanden. De gezinshuisouder benadrukte de noodzaak van stabiliteit en het uitstellen van verplaatsing vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd wordt door wisselingen van verzorgers, vermoedelijke mishandeling en verwaarlozing. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd voor zes maanden, onder aanhouding van het restant, om zorgvuldig onderzoek te kunnen doen naar de kind eigen problematiek, de pedagogische vaardigheden van de moeder en het opstarten van contact.

De GI wordt opgedragen het fysieke contact tussen moeder en kind op korte termijn te starten, met afspraken over vaste contactmomenten en een locatie halverwege. Tevens moet de GI uiterlijk twee weken voor de volgende zitting een rapportage overleggen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor zes maanden vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en onveilige hechting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447258 / JE RK 26-664
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCH. EN RECLASSERINGte Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Mevrouw [de gezinshuisouder] ,
hierna te noemen de gezinshuisouder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, via een digitale verbinding;
- de gezinshuisouder.
Tevens was op verzoek van de moeder met bijzondere toestemming van de kinderrechter aanwezig een begeleidster van het moeder-kindhuis, mevrouw [persoon] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI vindt voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nodig, omdat er nog geen volledig zicht is op eventueel trauma van [minderjarige] en haar kind eigen problematiek. [minderjarige] is sociaal-emotioneel kwetsbaar en heeft intensieve begeleiding nodig. De GI is van mening dat [minderjarige] nu nog niet bij de moeder in het moeder-kindhuis kan wonen, omdat de pedagogische mogelijkheden van de moeder onvoldoende in beeld zijn. Door langdurige afwezigheid van de moeder en het beperkte onderlinge contact is onvoldoende zicht op haar opvoedvaardigheden en vermogen om aan te sluiten bij de specifieke behoefte van [minderjarige] . De moeder heeft zich in het verleden ook onvoldoende aan omgangsafspraken gehouden en was een lange periode onbereikbaar. Een te snelle terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder kan gevoelens van onveiligheid of onzekerheid versterken en schade toebrengen aan het ontwikkelproces. Het gezinshuis is de enige plek waar [minderjarige] voldoende veiligheid, rust en stabiliteit geboden krijgt. Het fysieke contact tussen de moeder en [minderjarige] zal voorzichtig worden hervat. De moeder is in een moeder-kindhuis gaan wonen in [plaats] , op verre afstand van het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft. De reisafstand maakt het ingewikkelder om fysiek contact op te starten.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij akkoord is met de ondertoezichtstelling en hier geen verweer tegen voert. De moeder heeft wel moeite met een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar; dit is veel te lang. De moeder verblijft in een moeder-kindhuis in [plaats] . Dat gaat goed. De moeder heeft veel aan de begeleiding en volgt aanwijzingen goed op. Het moeder-kindhuis heeft aangegeven dat er ruimte is voor [minderjarige] . De moeder vraagt zich af of niet al het afgelopen jaar gekeken had moeten en kunnen worden naar de kind eigen problematiek en trauma’s van [minderjarige] , nu dit ook in de vorige beschikking al was opgenomen. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken in duur tot twee maanden. In de komende periode zal de GI dan moeten onderzoeken wat het beste is voor [minderjarige] en of het moeder-kindhuis in [plaats] voor [minderjarige] een geschikte plek is. Van belang is ook dat de fysieke omgang snel weer wordt opgestart. Er zijn hier nog altijd geen concrete afspraken over gemaakt. De moeder vindt beperking in duur tot zes maanden te lang, maar refereert zich voor wat betreft de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing aan het oordeel van de kinderrechter.
4.3.
De gezinshuisouder geeft tijdens de zitting aan dat [minderjarige] de afgelopen vijf jaar op vijf verschillende plekken heeft verbleven. De gezinshuisouder vraagt zich af of het in [minderjarige] haar belang is om haar binnen twee maanden weer te verplaatsen. Er kan nu geen onderzoek plaatsvinden, omdat [minderjarige] zoveel nachtmerries heeft. Het is duidelijk dat [minderjarige] trauma’s heeft opgelopen. De gezinshuisouder lijkt het goed als eerst onderzoek afgewacht gaat worden om vervolgens te kunnen kijken wat [minderjarige] nodig heeft en zodat zij de behandeling kan krijgen die zij nodig heeft.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft in haar relatief korte leven al veel meegemaakt. Zo heeft zij te maken gehad met meerdere wisselingen van verzorgers, periodes van verwaarlozing, vermoedelijke mishandeling en langdurige afwezigheid van de moeder. Er is dan ook sprake van een onveilige hechtingsbasis. [minderjarige] heeft moeite met emotieregulatie, sterke behoefte aan nabijheid, nachtmerries en vertoont onvoorspelbaar gedrag naar andere kinderen. [minderjarige] is kwetsbaar en heeft op school één op één begeleiding nodig. De aard en ernst van de kind eigen problematiek is nog onvoldoende duidelijk, hiervoor dient eerst onderzoek plaats te vinden. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. In het verleden is gebleken dat de moeder wisselend is in haar medewerking. Zij is niet altijd haar afspraken nagekomen. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restant.
5.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . [2] [minderjarige] ervaart nu na een lange periode van onrust en wisselingen, rust en stabiliteit in het gezinshuis. Er is ook nog onvoldoende zicht op de opvoed- en pedagogische vaardigheden van de moeder. [minderjarige] en de moeder hebben geruime tijd geen (fysiek) contact met elkaar gehad. Dit contact zal zorgvuldig moeten worden opgebouwd. Het is in [minderjarige] haar belang dat de huidige situatie voorlopig voortduurt. Anders dan de moeder is de kinderrechter van oordeel dat een periode van twee maanden te kort is, omdat zorgvuldig onderzocht zal moeten worden wat in [minderjarige] haar belang is en hoe het op te starten contact tussen de moeder en [minderjarige] verloopt. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom toewijzen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restant.
5.4.
De GI zal op korte termijn het (fysieke) contact tussen de moeder en [minderjarige] moeten opstarten. Hoewel de afstand groot is, zal hierbij gekeken moeten worden naar een locatie halverwege. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat iedereen bereid is hiervoor te reizen. Van belang is dat de reisafstand voor [minderjarige] behapbaar blijft. Over de contactmomenten zullen duidelijke afspraken moeten worden gemaakt met vaste contactmomenten. Verder zal, zoals eerder benoemd, onderzoek moeten plaatsvinden naar [minderjarige] haar kind eigen problematiek en trauma’s, zodat vervolgens bekeken kan worden wat [minderjarige] nodig heeft met betrekking tot de hulpverlening en of de huidige één op één begeleiding in het regulier onderwijs voor [minderjarige] voldoende is of dat het speciaal onderwijs meer passend is. Verder zal meer zicht moeten komen op de opvoed- en pedagogische vaardigheden van de moeder en zal onderzocht moeten worden of het in [minderjarige] haar belang is dat zij al terug gaat naar de moeder, zoals de moeder graag wil. Daarnaast zal moeten worden onderzocht wat [minderjarige] haar toekomstperspectief is. Hiervoor is het temeer van belang dat de contactmomenten snel worden opgestart, zodat zicht komt op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] .
5.5.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij tijdig, uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting, een briefrapportage zullen overleggen en daarin de ontwikkelingen van de afgelopen periode kenbaar maken.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 26 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 november 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 november 2026, tegen welke zitting de GI, het college, de moeder en de gezinshuisouder dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.