ECLI:NL:RBZWB:2026:4803

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446106 FA RK 26-1365
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling partneralimentatie en afwijzing aanvullende bijdrage zwangerschap

De vrouw verzocht de rechtbank om vaststelling van een partneralimentatie van €1.065 per maand vanaf 12 januari 2026, met een tijdelijke verhoging van €293 per maand voor kosten gerelateerd aan haar zwangerschap en bevalling. De man betwistte de behoeftigheid van de vrouw en stelde dat zij een bijstandsuitkering had kunnen aanvragen en dat zij inspanningen had moeten verrichten om in haar levensonderhoud te voorzien.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw momenteel geen eigen inkomen heeft en dat een eventuele bijstandsuitkering de behoefte niet mag verlagen, omdat de man zijn onderhoudsplicht niet op publieke voorzieningen kan afwentelen. Gezien haar zwangerschap kan van haar niet worden verwacht dat zij nu werkt. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €2.315 netto per maand, terwijl de draagkracht van de man werd berekend op €257 bruto per maand.

De rechtbank wees het verzoek om een aanvullende bijdrage voor zwangerschap en bevalling af wegens het ontbreken van een duidelijke juridische grondslag en onvoldoende onderbouwing. Wel gaf de man aan bereid te zijn bij te dragen aan daadwerkelijke kosten die niet door de verzekering worden vergoed. De partneralimentatie wordt vastgesteld met ingang van de datum van de beschikking, 30 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt partneralimentatie vast op €257 per maand vanaf 30 april 2026 en wijst het verzoek om aanvullende bijdrage voor zwangerschap af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/446106 FA RK 26-1365
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J.M. van Asten,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S. Koçak.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 maart 2026 van de vrouw ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 16 april 2026 van de man ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. Van Asten van 20 april 2026 en 21 april 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, waarbij mr. S. Ben Ahmed waar nam voor mr. Koçak. Tevens was er voor beide partijen een tolk aanwezig.

2.Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat,
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 1.065,= per maand, met ingang van 12 januari 2026;
- deze bijdrage te verhogen voor de duur van zes maanden met een bedrag van € 293,= per maand als bijdrage in de kosten die verband houden met de zwangerschap en
bevalling van de vrouw.

3.De beoordeling

IPR
3.1
Vanwege de Syrische nationaliteit van partijen en hun huwelijksplaats in Jordanië heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht moet beslissen op de verzoeken.
Partneralimentatie
3.2
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte
3.3
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de vrouw € 2.213,= netto per maand bedraagt, geïndexeerd naar nu € 2.315,= netto per maand. Hierbij is uitgegaan van het door de man berekende netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.688,= per maand, op grond van het inkomen van de man van € 56.575,= bruto per jaar exclusief vakantietoeslag in 2025.
3.4
Om te bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eventuele eigen netto inkomen.
3.5
De vrouw voert aan dat zij op dit moment geen eigen inkomen heeft. Zij loopt stage (traineeship) bij [bedrijf] . Zij is daarnaast bezig met haar inburgering en volgt Nederlandse lessen. Daar komt bij dat zij zwanger is van het kindje van partijen; zij is uitgerekend op [datum] 2026.
De man stelt dat de vrouw in aanmerking kan komen voor een bijstandsuitkering en dat het op haar weg had gelegen om die aan te vragen. Hij betwist daarom de behoeftigheid van de vrouw. Daarnaast stelt hij dat de vrouw een jonge en gezonde vrouw is, zonder medische beperkingen die haar beletten om arbeid te verrichten. Van haar mag in redelijkheid worden verwacht dat zij – voor zover de zwangerschap dat toelaat – inspanningen verricht om (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Niet gebleken is dat zij dergelijke inspanningen heeft geleverd, aldus de man.
3.6
De rechtbank overweegt dat een eventuele bijstandsuitkering de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man niet kan verlagen. De man kan zijn onderhoudsplicht niet afwentelen op publieke voorzieningen. Verder volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat van haar op dit moment niet kan worden verlangd dat zij gaat werken, gezien haar zwangerschap en aanstaande bevalling. Op welk moment van de vrouw wel kan worden verwacht dat zij betaald werk gaat verrichten, kan in de bodemprocedure worden bezien. De rechtbank gaat in deze voorlopige voorzieningen procedure uit van de huidige feitelijke situatie waarin de vrouw geen eigen inkomen heeft. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man bedraagt daarom € 2.315,= netto per maand.
Draagkracht van de man
3.7
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.8
Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat kan worden uitgegaan van het inkomen van de man volgens zijn loonstrook van januari 2026. Hieruit blijkt een salaris van
€ 3.962,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
Daarnaast blijkt uit de loonstrook van december 2025 dat de man een dertiende maand heeft ontvangen van € 3.752,= bruto per jaar. Deze zal de rechtbank ook meenemen.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op € 3.370,= per maand.
3.9
De rechtbank houdt rekening met de tussen partijen vaststaande lasten die de man voor zijn rekening neemt van totaal € 726,= per maand, door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen. De draagkracht van de man bedraagt dan 60% x [€ 3.370 – (0,3 x € 3.370 + € 1.365 + € 726)]= € 161,= netto per maand.
Deze lasten bestaan uit € 330,= per maand aan financieringskosten van de auto, € 65,67 per maand aan een krediet bij de ING-bank en € 99,85 en € 230,15,= per maand in verband met de aflossing op twee leningen bij de ING-bank.
3.1
Partijen hebben op de zitting aangegeven dat de lening voor de auto per 1 augustus 2026 afloopt. Zij wensen dat de rechtbank daarom per die datum een nieuwe berekening maakt zonder die kosten. De rechtbank ziet geen reden om twee berekeningen te maken. De bevalling van de vrouw zal plaatsvinden vóór 1 augustus 2026, waardoor de draagkracht van de man ook zak wijzigen in verband met de kosten van het kind van partijen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen na de geboorte van hun kind in onderling overleg de draagkracht van de man voor partneralimentatie opnieuw (laten) berekenen.
3.11
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 257,= bruto per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen.
3.12
Een gescand exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
Ingangsdatum
3.13
De rechtbank vindt het, met de man, redelijk om de verplichting tot betaling van die bijdrage te laten ingaan op de datum van deze beschikking.
Overige verzoeken
3.14
De vrouw heeft verzocht om, naast de partneralimentatie, een bijdrage vast te stellen in verband met de kosten van haar zwangerschap en bevalling van € 293,= per maand voor de duur van zes maanden. Zij stelt dat zij in verband met haar zwangerschap en bevalling extra kosten heeft (babyuitzet, ziekenhuisbevalling, kraamzorg) en dat het ook de verantwoordelijkheid is van de man, als aanstaande vader, om daar zoveel mogelijk in tegemoet te komen. De man stelt dat dit verzoek onvoldoende onderbouwd is en een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert.
3.15
De rechtbank overweegt dat ook op zitting onduidelijk is gebleven wat de juridische grondslag is van het verzoek van de vrouw. Voor zover zij heeft bedoeld te stellen dat het behoefte verhogende kosten betreft, merkt de rechtbank op dat de draagkracht van de man de beperkende factor is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Overigens merkt de rechtbank nog op dat de man tijdens de zitting heeft toegezegd dat, wanneer er daadwerkelijk kosten worden gemaakt in verband met de zwangerschap en aanstaande bevalling die niet worden vergoed vanuit de ziektekostenverzekering, hij bereid is daarin een bijdrage te leveren..

4.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 257,= (tweehonderdzevenenvijftig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.