ECLI:NL:RBZWB:2026:4804

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/02/439646 / JE RK 25-1638
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg wegens kwetsbare thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige bevolen vanwege zorgen over de thuissituatie.

De GI stelt dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt; de hulpverlening aan de moeder is nog niet gestart en de vader beschikt niet over een woning, waardoor een perspectiefonderzoek bij hem niet mogelijk is. Het pleeggezin biedt momenteel een stabiele omgeving. De GI maakt zich zorgen over de aanwezigheid van de ex-partner van de moeder tijdens contactmomenten en over het niet nakomen van afspraken door de ouders.

De moeder en vader zijn het niet eens met het verzoek en pleiten voor terugplaatsing van de minderjarige, waarbij de moeder aangeeft dat zij openstaat voor begeleiding en de vader benadrukt dat hij ondanks het ontbreken van een woning goede opvoedvaardigheden heeft. De kinderrechter overweegt dat de situatie kwetsbaar blijft, met zorgen over de seksuele ontwikkeling van de minderjarige en getuige zijn van geweld. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, met het oog op het perspectiefonderzoek en uitbreiding van het contact met beide ouders.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 4 november 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439646 / JE RK 25-1638
Datum uitspraak: 30 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Hofland uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A. Elias uit Oisterwijk.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 23 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 21 maart 2026, ontvangen op 24 maart 2026;
  • het bericht van mr. Hofland van 23 april 2026.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 23 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 november 2025 tot 4 mei 2026. [minderjarige] verblijft op grond van deze machtiging bij een pleeggezin.
2.4.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI is van mening dat er nauwelijks vooruitgang is gemaakt. Hoewel [minderjarige] minder zorgelijk gedrag vertoont blijft de situatie rondom [minderjarige] en het systeem kwetsbaar. [hulpverlening] heeft aangegeven dat er geen beslissing kan worden genomen over het perspectief van [minderjarige] voordat de behandeling van de moeder is gestart. De moeder is aangemeld voor een behandeling, maar deze is nog niet van de grond gekomen. Er kan daarnaast geen perspectiefonderzoek bij de vader plaatsvinden omdat hij geen woning heeft. Het pleeggezin is op dit moment een goede plek voor [minderjarige] . Het is noodzakelijk dat [minderjarige] hier verblijft tot duidelijk is wat haar perspectief is.
4.2.
Er zijn geen zorgen over de omgang tussen [minderjarige] en de moeder, maar de GI maakt zich wel zorgen of de ex-partner van de moeder aanwezig is bij de contactmomenten. De moeder geeft aan dat zij geen contact meer hebben, maar in telefoongesprekken was de ex-partner op de achtergrond te horen. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over het feit dat ouders zich niet aan de afspraken houden. Dat maakt dat de GI de moeder moeilijk kan vertrouwen. De omgang tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed. De GI zal daarom onderzoeken of het mogelijk is dat de vader bij de omgang tussen [minderjarige] en de moeder aanwezig is. De GI merkt op dat het positief is dat de ouders weer goed samenwerken. De GI zal ook onderzoeken of een andere omgangsbegeleiding mogelijk is.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het verzoek, omdat zij vindt dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder is en dat moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing. [minderjarige] heeft het goed in het pleeggezin, maar de moeder heeft van de pleegmoeder gehoord dat [minderjarige] naar de moeder toe wil. Er is een goede samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. De moeder heeft alles gedaan wat ze moest doen van de GI, maar de GI vindt het steeds niet genoeg. De GI heeft beloftes gedaan, maar komt deze niet na. De moeder weet niet wat ze nog meer moet doen. De moeder heeft een positieve gedragsverandering doorgemaakt. Zij is aangemeld voor hulpverlening en begeleid wonen. De GI en de moeder hebben overlegd over de vraag of er een manier is waarop de wachttijd voor het begeleid wonen kan worden verkort. De moeder heeft op dit moment een uur in de week contact met [minderjarige] . Zij staat open voor begeleiding bij het toewerken naar de terugplaatsing. De moeder begrijpt niet waarom [minderjarige] wel in een keer uit huis geplaatst kan worden, maar niet in een keer thuisgeplaatst kan worden. De moeder heeft verzocht het verzoek af te wijzen dan wel de machtiging voor een kortere periode te verlenen zodat er een toetsmoment bestaat, omdat de GI een onvoldoende concreet plan heeft voorgelegd.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in het verzoek. De vader vindt dat [minderjarige] teruggeplaatst moet worden bij de moeder, zeker aangezien [minderjarige] in een belangrijke hechtingsfase zit. De moeder is de afgelopen periode in positieve zin veranderd. Ook het contact tussen de ouders is verbeterd. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt goed. Er is drie uur in de week onbegeleide omgang. De vader heeft weliswaar geen eigen woning, maar er is weinig op de opvoedvaardigheden van de vader aan te merken. De vader heeft er alles aan gedaan om een woning te vinden, maar dat is hem nog niet gelukt. De vader wil weer toewerken naar de weekendregeling. De vader verblijft bij zijn tante. [minderjarige] kan daar samen met hem verblijven. De GI heeft eerder aangegeven dat er begeleiding moet komen voor de emotieregulatie van de vader. Volgens de huisarts en [zorginstelling] is er echter geen sprake van problematiek waardoor zij de vader niet kunnen helpen. De vader kan bij de omgang tussen [minderjarige] en de moeder zijn. Het voorstel van de GI laat zien dat er vertrouwen in de vader is. Hij begrijpt daarom niet waarom de omgang met [minderjarige] niet uitgebreid kan worden. Mocht blijken dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is, dan wil de vader dat [minderjarige] bij hem wordt geplaatst zodra hij een woning heeft.

6.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er bestaan zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast is [minderjarige] getuige geweest van zowel verbaal als fysiek geweld in de thuissituatie. De kinderrechter vindt het positief dat de ouders hard hun best doen om het beste voor [minderjarige] te betekenen. Hoewel er de afgelopen periode daardoor stappen in de goede richting zijn gezet moeten er ook nog veel meer stappen gezet worden. De situatie rondom [minderjarige] en het systeem is kwetsbaar. De hulpverlening voor de moeder is nog niet gestart. Dat komt onder meer door de lange wachtlijsten. De moeder staat op de wachtlijst voor begeleid wonen, maar ook deze is lang. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder en de GI hierover contact hebben gehad en dat wordt gekeken naar mogelijkheden om de wachttijd te verkorten. Hoewel de kinderrechter zich kan voorstellen dat het frustrerend is dat de zorg lang op zich laat wachten, is het belangrijk dat de ouders blijven meewerken met de GI. [minderjarige] kan daarom op dit moment nog niet thuisgeplaatst worden bij de moeder. Een plaatsing van [minderjarige] bij de vader is op dit moment ook niet mogelijk, onder meer omdat de vader geen eigen woning heeft waardoor er geen perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot uithuisplaatsing moet worden toegewezen.
6.4.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing, anders dan door de moeder is verzocht, verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Er moet nog veel gebeuren. Het is nog niet duidelijk wat het perspectief van [minderjarige] is. De GI zal moeten onderzoeken of haar perspectief bij de moeder ligt. Mocht dat niet het geval zijn, zal de GI moeten onderzoeken of het perspectief van [minderjarige] bij de vader ligt. De GI stelt daarvoor terecht als voorwaarde dat de vader dan over een eigen woning moet beschikken.
Daarnaast zal het contact van [minderjarige] met beide ouders moeten worden uitgebreid. De kinderrechter benadrukt het belang van de uitbreiding van dit contact voor het perspectiefonderzoek. De GI heeft aangegeven dat de omgang met zowel de moeder als met de vader goed verlopen. De GI is met name terughoudend vanwege de randvoorwaarden van de omgang van de moeder met [minderjarige] , zoals het niet aanwezig mogen zijn van de ex-partner van de moeder. Het is belangrijk dat de GI onderzoekt hoe de omgang zo snel als mogelijk kan worden uitgebreid. Het is positief dat de GI nadenkt over alternatieve mogelijkheden van begeleiding van de omgang van de moeder met [minderjarige] . Daarnaast is het belangrijk dat de GI goed blijft communiceren met de ouders over wat er van hen wordt verwacht, welke beslissingen zijn genomen en waarom deze zijn genomen. Omdat de verwachting is dat dit enige tijd in beslag zal nemen zal de machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling zoals verzocht door de GI.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 mei 2026 tot 4 november 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.