ECLI:NL:RBZWB:2026:4806

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438153 / JE RK 25-1387
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en stapsgewijze thuisplaatsing van minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen bij een pleeggezin. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en eerdere machtigingen tot uithuisplaatsing reeds verlengd en beoordeelt nu het resterende deel van het verzoek.

De GI heeft moeite met het vinden van een passende pleegzorgplek dichtbij de moeder en benadrukt de noodzaak van intensieve hulpverlening, die nog niet beschikbaar is in de thuissituatie. De moeder heeft echter hard aan zichzelf gewerkt, toont liefde en betrokkenheid, en staat open voor hulpverlening. De pleegmoeder kan vanwege gezondheidsredenen de zorg niet langer structureel dragen.

De kinderrechter concludeert dat de zorgen over de moeder niet zodanig zijn dat thuisplaatsing onmogelijk is en dat de GI zich te veel richt op een specifieke hulpvorm die niet beschikbaar is. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 11 juli 2026, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van de terugkeer naar de moeder en uitbreiding van contact. De zaak wordt overgedragen aan een regionaal team voor passende hulpverlening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 11 juli 2026 met een stapsgewijze voorbereiding op terugkeer naar de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438153 / JE RK 25-1387
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam.
[de pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de op 24 april 2026 ontvangen brief van de GI met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De pleegmoeder is niet verschenen, zij is wel juist opgeroepen. De moeder vertelt desgevraagd dat haar partner, de heer [de stiefvader] niet bij de zitting aanwezig kon zijn vanwege werk.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 26 september 2025 tot 26 september 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorzienig voor pleegzorg verlengd van 16 september 2025 tot 26 maart 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI over het verloop van de maatregelen, over de resultaten van het onderzoek van De GezinsManager en over het perspectiefbesluit.
2.3.
Bij beschikking van 23 maart 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening tot 9 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter zal in de tussentijd kennis nemen van de rapporten van De GezinsManager en verzoekt de GI om enerzijds de zoektocht naar een geschikte vervolgplek voor de minderjarigen voort te zetten en anderzijds te bekijken of en onder welke omstandigheden een thuisplaatsing bij de moeder dan wel een gezinsopname van de moeder, de stiefvader en de minderjarigen mogelijk is.
2.4.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
Thans is nog aan de orde het resterende deel van het verzoek van de GI om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft schriftelijk en mondeling – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De jeugdbeschermer heeft de afgelopen periode naar alle pleegzorginstanties brieven gestuurd op zoek naar een passende plek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierop zijn 19 afwijzingen ontvangen. Pleegzorgorganisatie Yornea was bereid om mee te denken en zij zouden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk een plek in een pleeggezin kunnen bieden. Dit pleeggezin woont echter op 2,5 uur rijden vanaf [plaats 1] . De GI acht het niet in het belang van de kinderen om ze zo ver bij de moeder vandaan te plaatsen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten wel veel contact kunnen hebben met de moeder.
De GI voorziet grote problemen als de moeder niet voldoende ondersteund wordt, omdat de kinderen de dienst zullen uitmaken thuis en zij hun dag/nacht ritme zullen omdraaien waardoor ze op school zullen stagneren. De moeder heeft ook zelf nog behandeling nodig. Ook de rol van de partner van de moeder was onvoldoende duidelijk, maar bij navraag blijkt dat de kinderen nooit over hem vertellen waarbij de GI dus niet weet hoe actief betrokken de partner is.
Om een opvoed plus plek te creëren zal er intensieve ondersteuning nodig zijn. Die hulpverlening is nog niet gevonden.
Met betrekking tot de pleegmoeder is duidelijk geworden dat zij vanwege haar gezondheid niet op structurele basis iets kan betekenen in de opvang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zou wel graag betrokken blijven in het leven van de kinderen en de GI vindt dit ook van meerwaarde gezien de hechtingsrelatie die de kinderen met haar hebben. De pleegmoeder heeft toegezegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot de zomervakantie bij haar kunnen blijven.
De MBT-K hulpverlening die volgens De GezinsManager nodig is voor [minderjarige 1] wordt niet in [plaats 1] aangeboden. De locatie het dichtste bij [plaats 1] zou [plaats 2] zijn wat anderhalf uur rijden is en daarmee niet passend. Wellicht biedt [hulpverlening 1] in [plaats 3] deze behandeling ook aan, maar dit moet nog uitgezocht worden.
Idealiter zou de GI een opvoedsituatie willen realiseren van de moeder samen met een pleeggezin of gezinshuis. Maar er is helaas geen passend pleeggezin of gezinshuis beschikbaar. Daarom is gekeken naar welke hulpverlening mogelijk is in de thuissituatie, maar ook daar is nog niets voor gevonden. De GI is in afwachting van een reactie van [persoon] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al op twintig verschillende plekken gewoond, dus er moet zorgvuldig mee worden omgegaan en het moet voor langere tijd vormgegeven worden. Desgevraagd geeft de GI aan dat als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] verhuizen, de zaak overgaat naar [plaats 4] . Die hebben meer zicht op welke hulpverlening beschikbaar is en wat de mogelijkheden daar zijn.
De GI handhaaft het verzoek.
4.2.
Door de moeder is – samengevat – het volgende aangevoerd.
De moeder is bij de huisarts geweest voor een verwijzing voor hulpverlening. Helaas is er een lange wachtlijst en kan zij nu niet anders dan wachten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komen nog steeds één weekend per 14 dagen naar huis. De moeder heeft de afgelopen jaren al gewerkt aan het stellen van grenzen en tussen haar en de kinderen gaat het goed. Maar er zijn geen instanties in de thuissituatie geweest, dus die kunnen dat niet zien en de GI blijft zeggen dat het niet goed gaat. De moeder vindt het bijzonder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens de GI niet veilig zouden zijn bij haar, terwijl de kinderen wel een weekend per twee weken zonder begeleiding bij haar mogen zijn. De pleegmoeder geeft heel duidelijk aan dat de kinderen eigenlijk niet meer bij haar kunnen wonen vanwege medische redenen. De moeder maakt zich daar zorgen over. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] poetsen hun tanden niet (goed) bij de pleegmoeder, ze moeten zichzelf wassen en aankleden en [minderjarige 2] draagt nog steeds een luier en heeft uitslag op haar billen. Ook is de eczeem van [minderjarige 1] verergerd. De moeder wil daar wel wat aan doen, maar zij kan voor deze problemen niet in het weekend met de kinderen naar de huisarts of de tandarts. Als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het weekend bij de moeder en haar partner zijn, dan gaan ze wel iets later naar bed omdat het weekend is en omdat ze elkaar zo weinig zien. Normaal is hun bedtijd 19.30 uur. De moeder begint om 20.00 uur met zeggen dat ze naar bed gaan, dan nog een verhaaltje lezen of vertellen en dan liggen ze om 20.30 uur in bed.
De moeder weet dat zij niet perfect is, maar zij heeft de afgelopen jaren hard aan zichzelf gewerkt en zij is een goede moeder. Zij heeft ontzettend veel liefde voor haar kinderen en zij heeft de wens om – samen met haar partner – de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen.
4.3.
Door de advocaat is hier namens de moeder – samengevat – het volgende op aangevuld. Het is onduidelijk voor de moeder waarom haar kinderen niet thuis kunnen wonen. In de rapporten van [jeugdhulp] staat wel dat er nog zorgen en aandachtspunten zijn, maar ook dat het goed gaat en dat de moeder sensitief is. De mogelijkheid om te mentaliseren is niet nul bij de moeder en zij is op andere vlakken aantoonbaar leerbaar gebleken. Er moet volgens de GI eerst behandeling plaatsvinden. In [plaats 1] is passende hulpverlening beschikbaar, zoals [hulpverlening 2] en [hulpverlening 3] . Ook zou een moreel beraad goed zijn. Kijkend naar de afgelopen jaren is er een lijn zichtbaar: de moeder is een ander mens geworden. Zij heeft een stabiele relatie, een eigen bedrijf en een eigen woning. De pleegmoeder geeft aan dat zij de zorg niet meer kan dragen. Overplaatsing naar een ander pleeggezin of een gezinshuis is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben al veel wisselende plekken gekend. Bovendien moeten ze daar dan ook weer aarden voordat behandeling kan plaatsvinden. De GI wil de kinderen het liefst plaatsen in de buurt van de moeder. Maar waarom niet bij de moeder, met hulpverlening. Eventueel in combinatie met een steungezin in de buurt. Binnen de ondertoezichtstelling kan de benodigde hulp ingezet worden. Wellicht dat er een overdracht moet plaatsvinden naar een GI in de regio [locatie] , die zijn bekend met de hulpverleningskaart in [plaats 1] .
Ten aanzien van [minderjarige 1] zijn er iets meer zorgen dan bij [minderjarige 2] . Uit het rapport van [jeugdhulp] volgt dat het met name hechtingsproblematiek betreft. In het verleden is wel een NIKA-traject ingezet, maar toen was [minderjarige 1] nog heel jong en dit kan mogelijk nog een keer.
Alles moet worden ingezet op een terugkeer naar huis. Dat moet wel zorgvuldig gebeuren. Het is overigens opvallend dat de kinderen volgens de GI nooit over de partner van de moeder zouden hebben gepraat. De GI stelt niet te weten hoe actief zijn betrokkenheid is bij de kinderen. Maar uit de rapporten van [jeugdhulp] blijkt dat hij wel degelijk betrokken is en is hij ook meegenomen in het onderzoek. Er hebben observaties plaatsgevonden, ook met de partner en de kinderen hebben hem positieve kaartjes gegeven.
De advocaat verzoekt primair om afwijzing van het verzoek en subsidiair de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen zodat kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid).
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
De kinderrechter heeft intussen de rapporten van [jeugdhulp] goed kunnen bestuderen. Verder heeft zij alle beschikkingen vanaf de eerste voorlopige ondertoezichtstelling in juli 2022 tot heden (opnieuw) doorgelezen. Hiermee heeft de kinderrechter een zo compleet mogelijk beeld gekregen van zowel heden als verleden. De zorgen van destijds over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren erg groot. Er was sprake van dwingende controle door de biologische vader richting de moeder, huiselijk geweld, verschillende plaatsingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de moeder waarbij zij emotioneel niet voldoende beschikbaar was en ‘demp’-gedrag liet zien in de vorm van blowen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegmoeder.
5.4.
Sindsdien is er veel veranderd. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt waarvoor zij een groot compliment verdient. Zij heeft de relatie met de biologische vader van de kinderen verbroken, hulpverlening (waaronder EMDR) gehad, een stabiele relatie met haar huidige partner (met wie zij samenwoont) en samen met hem een schoonmaakbedrijf opgericht.
Daarnaast heeft de moeder positieve stappen gezet als moeder. Uit de rapporten van [jeugdhulp] komt een beeld naar voren van een moeder die liefdevol is naar haar kinderen en die kan aansluiten bij hun individuele karakters en behoeften. Er is sprake van wederzijdse affectie, de moeder is sensitief, kan haar aandacht goed verdelen en op passende wijze begrenzen. Ook is het contact tussen de kinderen en de partner van de moeder goed en voelen de kinderen zich veilig bij hem.
Daarbij toont de moeder zelfinzicht en durft zij zich kwetsbaar op te stellen.
5.5.
Uit de rapporten komen ook zorgen naar voren. Daarvan is in ieder geval één punt van zorg, te weten dat de moeder inwoont bij haar moeder, inmiddels achterhaald. Verder zijn er aandachtspunten.
De zorgen en aandachtspunten zijn echter niet dusdanig groot dat daaraan niet in de thuissituatie bij de moeder gewerkt kan worden. De moeder staat bovendien open voor de benodigde hulpverlening.
5.6.
In dit kader merkt de kinderrechter op dat de GI nog altijd stelt dat de moeder emotioneel niet beschikbaar zou zijn. Dit was in het verleden inderdaad aan de orde, maar daarvan is al geruime tijd geen sprake meer en het volgt ook niet uit objectieve waarnemingen of stukken. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de GI vasthoudt aan dit beeld van de moeder aangezien dit de zoektocht naar passende hulpverlening mogelijk belemmert. Daarbij komt dat de GI lijkt te focussen op een MBT-K traject, terwijl dit in het rapport van [jeugdhulp] slechts als voorbeeld wordt genoemd en niet het enige wat passend zou zijn. Het is al enige tijd duidelijk dat deze vorm van hulpverlening niet beschikbaar is in de regio en het is de kinderrechter niet duidelijk waarom er vervolgens niet is gekeken naar andere hulpverlening gericht op hechting en trauma, zoals Basic Trust of NIKA. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij hier de komende periode de nodige aandacht voor zal hebben.
5.7.
Gelet op dit alles, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegmoeder verlengen tot uiterlijk 11 juli 2026 en het verzoek voor het overige afwijzen. In deze periode kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgvuldig worden voorbereid op het feit dat ze weer bij hun moeder zullen gaan wonen en kan de contactregeling stapsgewijs worden uitgebreid. Ook kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het schooljaar op hun huidige school afmaken en is er tijd om een nieuwe school in [plaats 1] te vinden. Tot slot acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de GI de zaak zo spoedig mogelijk overdraagt aan het team in [plaats 1] zodat er gericht naar passende hulpverlening kan worden gezocht.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (mevrouw [de pleegmoeder] ) met ingang van 9 mei 2026 tot uiterlijk 11 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen, griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.